- 1960 De heenreis
- Opleiding in Sorong
- Naar Hollandia Deel 1
- Naar Hollandia Deel 2
- 1962 De Terugreis
- 2006 Het Weerzien
- De Nieuwspagina
De lange vlucht over de Noordpool
Op 4 November 1958 moest ik mij voor mijn dienstplicht melden in de van Braam Houckgeest kazerne te Doorn. Ervoor had ik ná de eerste algemene keuring in Amsterdam, een tweedaagse marinekeuring doorstaan in Voorschoten. Daar werd ik geselecteerd voor het korps mariniers. Ik had eigenlijk geen idee wat me te wachten stond.Ja, het korps mariniers dat wist ik. Van een buurman hoorde ik dat het een keurkorps was. Eerst zei het me niet zo veel. Ik wist natuurlijk van mariniers die in de tweede wereldoorlog zo heldhaftig gevochten hadden bij de Maasbruggen in Rotterdam tegen Duitse parachutisten. Van andere jongens die bij de Landmacht dienden, hoorde ik humoristische en aantrekkelijke verhalen als geintjes uithalen met het kader, veel slapen en luieren. Ze waren beste maatjes met de luitenant, een vriendelijk soort jeugdherbergvader, (die ze luit noemden) en deden waar ze zin in hadden. Dat leek me eerlijk gezegd wel.
Van alle verwachtingen die ik had toen ik de kazerne binnenliep, is er niet één uitgekomen. Alles was anders. We hadden geen seconde rust maar werden constant van hot naar her gejaagd door het kader. Voor beschutting kropen we bij elkaar. Geintjes met het kader uithalen, was er al helemaal niet bij, want we werden zo zwaar afgeknepen dat je wel uitkeek wat je deed. Als je de luitenant "luit" noemde, had je gelijk veertien dagen strafexercitie te pakken. En als je je geweer "spuit" noemde waren de rapen helemaal gaar. De meeste tijd brachten we door in de modder op de stormbaan, op de Leusderheide voor schietoefeningen, en op het exercitieveld voor eindeloze exerceer oefeningen totdat we ons als één man voorbewogen, of het geweer af- en opzetten. In de regen wel te verstaan. Als het droog weer was, werden we opgesloten in het leslokaal voor lessen in korpsgeschiedenis. Of anders rangen en standen uit je hoofd leren van krijgsmachtonderdelen waar nog nooit iemand van had gehoord. En natuurlijk de marsoefeningen in de winterse kou. Eerst vijf en twintig kilometer, daarna veertig, dan vijftig. Daarna werden de gewone marsen ingeruild voor de speedmarsen. Met bepakking een half uur gewoon marcheren, daarna een kwartier looppas, daarna weer gewoon. Alle lange 50 kilometers lang. Het ergste vond ik nog dat het kader (ouwe mannen van vijf en dertig jaar) voorop liepen en er nog lol in schenen te hebben ook. De kern was volhouden tot je erbij neerviel en nóóit opgeven. Dus was het niet zo gek dat na afloop van de basisopleiding de korpsgeest ook op ons over was gegaan, en waren we er trots op dat we onszelf marinier mochten noemen. Ik heb er “sobats” voor het leven aan over gehouden. Mijn ouders hebben me opgevoed, het korps heeft me gevormd.
Het was vanaf het eerste moment duidelijk dat de meeste van ons naar Nieuw-Guinea zouden worden overgeplaatst. Daar kwam geen vrije wil aan te pas. Je was verplicht te gaan onder de dienstplicht.Daarna volgde een periode van voortdurend vaccineren. We kregen enorm veel vacinaties variërend van gele koorts tot cholera. Voorlichting over Nieuw-Guinea kregen we niet, op een kort informatiefilmpje en een flodderig boekje na. Waarom we naar Nieuw-Guinea gingen werd niet meegedeeld. De enige informatie kwam van mijn ouders die de berichtgeving in de kranten en TV natuurlijk gespannen volgden, en zich zorgen maakten over mijn veiligheid. Het was tekenend voor die tijd dat de regering het volk bijna niet informeerde over deze kwestie. Ministers droegen nog jacquets en hoge hoeden, werden door journalisten nog eerbiedig met Excellentie aangesproken en achtten het niet nodig om met gewone burgers te spreken. Pas in de tweede helft van de jaren 60 veranderde dat.
Op de dag van vertrek nam ik afscheid van mijn moeder bij de achterdeur. Ze huilde en hield me tegen zich aan. Ik maakte me voorzichtig los, kuste haar, en liep met mijn zware plunjezak de deur uit naar de bushalte op weg naar de kazerne. Op het perron van het Centraal Station in Amsterdam vroeg ik me af hoeveel van de mensen daar vermoedden dat ik op weg was naar Nieuw-Guinea, maar ze renden me voorbij om de trein te halen en niemand die naar me omkeek. Gek, dacht ik, ik ga hét avontuur van mijn leven beleven en niemand die het ziet. Het leven gaat gewoon zijn gang alsof er niets belangrijks gebeurt.
In de kazerne aangekomen werden we in een aparte barak gelegerd, er waren veel jongens uit mijn klas en jongens uit andere klassen. Voor het eerst sinds ik in dienst gekomen was, werden we met rust gelaten, en drukte de zware korps discipline even niet op ons. De andere dag om drie uur moesten we onze burgerkleren aantrekken die we van huis hadden meegenomen en werden we in trucks naar Schiphol vervoerd. Het vliegtuig was de viermotorige Douglas DC 7-C "Noordzee" met het kenteken PH-LKG van de KLM. De tocht zou via Stavanger in Noorwegen over de Noordpool voeren naar Anchorage op Alaska. Dan via de Beringstraat naar Tokio. De laatste etappe was van Tokio naar Biak op Nieuw-Guinea. Het vliegtuig werd aangedreven door vier Whright stermotoren van 3400 pk elk, en had een lengte van 34 meter bij een spanwijdte van 40 meter. Het was het laatste grote civiele vliegtuig dat werd aangedreven door zuigermotoren, en behoorde tot de grootste toestellen in die dagen. Het kon 95 passagiers vervoeren en 8 bemanningsleden.
Bij de vliegtuigtrap stond een fotograaf van de marine, ik moest poseren voor de foto voor thuis, de flitslamp lichtte op, en ik ging het vliegtuig in. Bij een vriendelijke stewardess leverde ik mijn ticket in, en ze bracht me naar een mooie plaats bij het raam. Al met al een lange reis als ik spoedig zou ervaren. Helaas vond ik niemand van mijn vrienden van mijn opleiding bij mij in het vliegtuig, maar ik was zo opgewonden dat ik dat pas later zag. Toen de motoren werden gestart luisterde ik ongelovig, want ze sloegen slecht aan, kuchten even en sloegen dan weer af. Moesten die negentien uur achter elkaar draaien? Kennelijk was het gewoon, want men ging onverdroten door met starten, net zolang tot ze alle vier haperend en onwillig draaiden. Mijn vader schreef later dat hij zich ernstig zorgen had gemaakt, er kwamen zwarte roetwolken uit de uitlaten en de motoren liepen erg onregelmatig. Eindelijk stegen we op, en ik kon wel janken van geluk. Wat een avontuur! Eindelijk weg uit Nederland en op weg naar Nieuw-Guinea. Ik keek uit het raampje van het vliegtuig en zag de lichtjes van Amsterdam achter me verdwijnen. Na enige tijd vlogen we boven zee, want er was niets meer te zien dan een inktzwarte duisternis. Het vliegtuig had een mooi interieur vond ik, aan de ene kant waren twee stoelen, dan een gangpad en weer drie stoelen. Het was voor ongeveer ¾ bezet, en je kon dus een mooi plaatsje uitzoeken. Aan boord was een gemêleerd gezelschap, ik zag enkele nonnen en een priester, maar ook mensen die doorreisden naar Australië waar de eindbestemming van het vliegtuig was. Er lag ook briefpapier en ik schreef een brief naar mijn ouders om te vertellen wat ik in de ogenblikken voor de start had meegemaakt en ook om ze te laten weten dat alles goed met me was. Ik vond het ook wel heel chique om vanuit een vliegtuig een brief te sturen. Het aardige was, dat de brief vanuit Stavanger werd verstuurd zodat de brief al een paar dagen later bij mijn ouders werd bezorgd. Het was de eerste keer dat ik vloog, en het viel me op dat het toestel erg vibreerde door het geweld van de vier zuigermotoren. Het viel in het begin niet erg op, maar als je een hard oppervlak aanraakte, bijvoorbeeld het raam, voelde je het trillen. Ik ging een loopje maken naar de wc. Vanuit het wc raampje stond je in rechte lijn met de snel draaiende propellers en de motorgondels. Vanuit de uitlaten schoten blauwe vlammen die de vleugels in een spookachtig licht zetten. Het was een aanblik die niet erg bevorderlijk was voor je gevoel van veiligheid, dus daarom ging ik maar weer terug naar mijn zitplaats.
Na een uur landden we in Stavanger. We mochten het vliegtuig niet verlaten want er werd alleen bijgetankt voor de lange reis naar Anchorage die negentien (!) uur zou duren. Toen we opstegen had het bijna 30.000 liter brandstof aan boord, en woog in totaal bijna 65 ton. Na het opstijgen was er niets te zien, we vlogen boven de Atlantische Oceaan en het was pikkedonker. We kregen eerste een lichte maaltijd met koffie en thee. Daarna deelden de stewardessen kussentjes en dekens uit en het licht werd getemperd. Het was dus duidelijk de bedoeling dat we zouden gaan slapen, maar dat kon ik met geen mogelijkheid. Ik was te opgewonden om te gaan slapen en zat in het donker te denken aan de diepe donkere zee beneden ons, en hoe lang het nog zou duren eer we weer zouden landen. Maar later werd ik wat rustiger en dommelde ik in, om vervolgens weer wakker te worden elke keer als ik met mijn hoofd de trillende raamstijl raakte. Uren later zag ik dat het langzamerhand lichter werd en kon ik de zee onder me zien. We vlogen op een hoogte van 5 kilometer bij een kruissnelheid van ongeveer 540 km per uur. Langzamerhand ontwaakten de meeste passagiers en werd het ontbijt rondgebracht. Aangezien we nu de ijsvlakten van de Noordpool naderden kregen we voorlichting over de reddingsmiddelen die aan boord waren en die we zouden moeten gebruiken bij een noodlanding op het ijs. Ik volgde de instructies met matige belangstelling omdat ik er van uitging dat ik heelhuids in Nieuw-Guinea zou aankomen. Een noodlanding op het ijs kwam niet in mijn gedachten op.
Inmiddels was het volop licht geworden, en konden we beneden ons een vlakke spierwitte ijsvlakte zien die zich uitstrekte tot zover het oog reikte, en die glinsterde in de zon. Er heerste een ontspannen sfeer aan boord van het vliegtuig en de commandant kwam de cabine in om een raatje te houden met sommige passagiers. Ook mocht je als je wilde een kijkje nemen in de cockpit. Van vliegtuigkapingen had nog niemand gehoord in die tijd. Na verloop van tijd kwam er een figuur uit de cockpit met een klein huishoudtrapje in zijn handen. Het bleek de navigator te zijn die het trapje in het middenpad opstelde, een sextant te voorschijn haalde en door een doorzichtig dakkoepeltje een zonnetje ging schieten voor een nauwkeurige positiebepaling. Omdat we boven de Noordpool waren vertoonde het magnetische kompas afwijkingen, en satellietnavigatie was nog niet uitgevonden. 
Uiteindelijk bereikten we het vasteland van Alaska en we vlogen boven scherp getande en dreigend uitziende bergen waarvan de toppen met sneeuw waren bedekt. Sommige loodrechte flanken waren onbedekt en pikzwart en het maakte het beeld des te woester. Somber bedacht ik me, dat als je hier neerstortte je geen enkele kans had het er levend vanaf te brengen. De Alaska Range is een woest gebergte met de Mount Kinley van 6194 meter als een van de hoogste toppen. Ik slaagde een zucht van verlichting toen ons vliegtuig na 18 ½ uur vliegen een geslaagde landing maakte op het vliegveld van Anchorage. De stad is als het ware omsloten door de Alaska Range en is gelegen aan de Cook Inlet die een zeearm is van de Grote Oceaan. Het vliegveld was bedekt met een dikke laag sneeuw, alleen de start- en landingsbanen werden schoongehouden.
Het vliegtuig werd intussen weer volgetankt, en na twee uur werden we verzocht het vliegtuig weer in te gaan. Op de vleugels waren mensen van het vliegveld bezig met bezems de sneeuw te verwijderen die met grote vlokken neerviel. We begonnen sneeuwballen naar elkaar te gooien, maar werden door de sergeant het vliegtuig in gejaagd. Toen we aan boord waren werden de motoren gestart die (weer) met grote tegenzin aansloegen, en taxieden we naar de startbaan. Daar aangekomen bleef het toestel een hele tijd staan terwijl de motoren brulden en het vliegtuig trilde en schudde onder die ingehouden kracht. Ik hield me aan de stoelleuning vast, en keek het gangpad langs. Waar was de nooduitgang eigenlijk? Maar eindelijk begon het vliegtuig te rollen almaar sneller en sneller, we stegen op en waren we op weg naar Tokio. Het was weer een lange tocht maar niet zo lang als de vorige. Deze vlucht zou 12 uur duren, dus een kleinigheid voor zulke doorgewinterde reizigers als wij. Het ergste gedeelte hadden we achter de rug, dus wat kon er nog gebeuren?
Eenmaal in de lucht zagen we de bergen van Alaska achter ons verdwijnen en zagen we de Beringzee voor ons. Een oneindige witte vlakte met hier en daar een rotsig eiland. Wij vlogen via de meer dan 5000 km lange reeks Aleoeten eilanden naar het Russische schiereiland Katchamka (dat we uiteraard aan stuurboord lieten liggen) naar Japan. Over de verdere tocht valt niet veel te vertellen, het bleef licht zodat de zorgzame stewardessen om ons te kunnen laten slapen de gordijntjes voor de ramen sloten. We kregen weer dekens en een kussentje en dit keer lukte het me zowaar om in te dutten.
Boven Japan was het nog steeds licht en onbewolkt, zodat we een prachtig uitzicht hadden op het land. Een keer vlogen we zelfs zo laag dat ik een pagode kon zien die op een heuveltop was gelegen.
Boven de stad herkende ik meteen het silhouet van de namaak Eifeltoren die i n Tokio staat en waarvan ik had gelezen. De landingsbaan stak ver in de baai uit, en aangezien we vanuit de baai de baan aanvlogen zag ik een hele poos niets dan water onder me, terwijl we steeds lager gingen vliegen. Ik begon me al zorgen te maken over een noodlanding op het water, toen ik grond voorbij zag flitsen en met een bons zette de gezagvoerder het vliegtuig aan de grond. We hadden precies 12 uur over de vlucht gedaan, en lagen precies op schema. Met een opgelucht gevoel liep ik de trap af en naar het stationsgebouw dat even verderop lag. Binnengekomen bestelde ik een Cola aan het buffet en keek in het rond. Gek idee eigenlijk dat ik hier stond. In Japan, off all places. Nog maar veertien jaar geleden waren de geallieerden in een gevecht van leven op dood gewikkeld met Japan. Uiteindelijk beslisten de atoombommen op Nagasaki en Hiroshima de oorlog ten koste van veel onschuldige burgers. Nu was het vrede, en iedereen liep rond alsof er niets was gebeurd. Wij van onze groep waren de enige Westerlingen die er waren en we hadden veel bekijks. Het stationsgebouw was niet groot en er was niet veel te zien, daarom drentelde ik maar wat rond en rookte een sigaret met de maten. Na een paar uur werden we weer opgetrommeld om het vliegtuig in te gaan voor de laatste tocht die ons naar Biak op Nieuw-Guinea zou voeren.
Nieuw-Guinea is in 1545 ontdekt door de Spanjaard Ortiz de Retes die het zijn naam gaf. Het is het op Groenland na grootste eiland ter wereld In 1623 zag de Nederlandse kapitein Jan Carstenz die langs het eiland zeilde besneeuwde bergtoppen die hij zijn naam gaf. Het is een eiland met grote tegenstellingen. Zonnige koraalstranden omzoomd met palmen, ondoordringbare regenwouden in de lagere regionen en koele weilanden in de hogere. Nog hoger loopt door het midden van het eiland het Cartenszgebergte met als hoogste top de Wilhelminatop van 5500 meter hoog. Ook andere machtige toppen met gletsjers die het eiland als het ware in tweeën deelt. Het noordelijk gedeelte is bergachtig, terwijl het Zuidelijk gedeelte voor een groot bestaat uit mangrove moerassen. Grote rivieren storten zich van de bergen door de donkere regenwouden in de Oceaan. Meer dan 75% van het oppervlak is bedekt met regenwoud. De dierenwereld is als die van Australië, met kangoeroes en andere buideldieren, en kaketoes. Geen apen, olifanten, tijgers e.d. die men wel in de Indonesische archipel aantreft. Het (voormalige) Nederlandse deel bedraagt 410.000 vierkante kilometers en is ongeveer 10 keer zo groot als Nederland.
Het was inmiddels donker geworden terwijl we over de Grote Oceaan vlogen via de Marianen en de Carolinen eilanden in Micronesië. De tocht zou niet zo lang duren, welgeteld 8 uur, en klokslag elf uur in de avond plaatselijke tijd, landden we op het vliegveld van Biak. Terwijl we wachtten om uit te stappen, keek ik uit het raampje en zag Papoea's die bezig waren rondom het vliegtuig. Ze waren erg zwart met kroeshaar en scherpe trekken en gekleed in blauwe KLM overalls, maar wat me het meest verbaasde was, dat zij allen op blote voeten liepen. We hadden 38 uur gevlogen met twee onderbrekingen en iedereen was het meer dan zat. Ik voelde me vies en snakte naar een douche en schone kleren. Ik had medelijden met de bemanning en de passagiers die nog moesten doorvliegen naar Australië.
Toen ik de trap afliep uit het vliegtuig viel de kleffe vochtige hitte als een natte dweil op me. Ik voelde de warmte door mijn broekspijpen doordringen op mijn benen en het zweet brak me uit. Dit was niet normaal! Ik droeg nog steeds een flanellen borstrok van Jansen & Tilanus tegen de kou onderweg, ik dacht dat ik zou stikken. Daarom liep ik naar een paar struiken naast het stationsgebouwtje, trok mijn colbert en overhemd uit, en stroopte de inmiddels kletsnatte borstrok over mijn hoofd. Ik mikte het achter de struiken, trok met een zucht van verlichting mijn overhemd weer aan en liep naar het stationsgebouwtje. Daar stonden tafeltjes en rotan stoelen. Toen ik eenmaal zat kwam er een aalmoezenier naast me zitten die ons welkom heette namens de Marine. Ik bestelde een koude Cola en nam een grote slok. Toen ik het glas weer neerzette, voelde ik iets langs mijn hoofd strijken en een nachtvlinder ter grootte van een huismus dook in mijn glas Cola. Verbijsterd en sprakeloos staarde ik naar die monsterlijk grote bruine mot terwijl de aalmoezenier bijna dubbel vouwde van het lachen.
-Ja marinier, sprak hij, nadat hij weer wat hersteld was. Dit is nu Nieuw-Guinea.
We werden ondergebracht in marinekamp Sorido op Biak, in een barak waar stretchers stonden opgesteld en kregen een handdoek en zeep uitgereikt. Terwijl ik me stond te douchen, bedacht ik me dat ik nu wel heel ver van huis was, en begon te beseffen dat het komende avontuur misschien wel groter was dan ik in eerste instantie zou willen.
Eenmaal op bed, kon ik niet slapen, ik voelde me heen en weer wiegen alsof ik nog in het vliegtuig was, en werd weer misselijk. Ik was niet de enige, om me heen hoorde ik maten onderdrukt mompelen als er weer een opstond om naar de toiletruimte te gaan. Ik dronk wat water en voelde me iets beter, daarna viel ik in een onrustige slaap. De volgende morgen werd ik wakker met een geweldige hoofdpijn en een gevoel of ik nog wel uren zou kunnen slapen. Maar ja, het Korps is het Korps, niks uitslapen, omhangen en volgen! Gelukkig hoefde we niet naar baksgewijs want dan zouden we in de zon moeten staan. Na het douchen trokken we ons vertrouwde groene dungareepak aan met de leggings, wollen sokken en hoge zwarte schoenen. Vechtpetje op, en onder leiding van de aalmoezenier naar de eetzaal. Wat een fel licht! Nieuwsgierig keek ik om me heen. De zon brandde op het witte koraal waaruit het eiland bestaat. In de verte zag ik een fel blauwe zee met palmen omzoomd. Witte wolken die een vreemde platte vorm hadden dreven laag boven de zee. Op het grasveld voor de kantine stonden Papoea's met vlijmscherpe parangs (kapmes) voorovergebogen het gras te babatten (korten). Lachend richtten ze zich op, zwaaiden naar ons en riepen; Baroe! Het is een plagerig woord dat beduidt dat je een groentje bent. We kenden het woord al, het maakt samen met veel andere Maleise woorden deel uit van het Marinejargon.
Tijdens de koffie kregen we informatie van de aalmoezenier over het klimaat en de bevolking. Ik keek door de ramen naar buiten. Daar zag ik matrozen en mariniers voorbijgaan gekleed in een wit T-shirt en korte kakibroek. Later werd dat het standaard dagelijkse tenue bij lichte dienst en na diensttijd. Tijdens wachtlopen, patrouilles en oefeningen het dungareepak. Als uitgaanstenue een lange kakibroek en overhemd met stropdas en een kepie op het hoofd. En als de avond was gevallen, het malariatenue. Lange broek en lange mouwen. Daarna terug naar de barak en; weer slapen! Middagrust. Later zou ik leren dat een middagdutje in de tropen onmisbaar is. Vanwege de warmte kun je in het midden van de dag toch niets zinnigs doen. Dat is te zeggen; als je vrij van dienst bent natuurlijk. (Gebeurde haast nooit) Na de middagrust weer douchen en aankleden en toen mochten we met de aalmoezenier mee naar buiten die ons klapper- en pisangbomen aanwees. Ook zagen we nootmuskaat- en papayabomen en peperstruiken. Het deed me wat, ik had me altijd geïnteresseerd voor de tropen, eindelijk was ik er.
Terug naar boven
Copyright © E.Schurink .
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Naar Sorong in de Vogelkop
De volgende dagen mochten we steeds langer naar buiten tot we volledig geacclimatiseerd waren en in sportwitje en korte broek buiten mochten lopen. Ook kwamen er met elke vlucht vanuit Nederland steeds meer mariniers binnen tot ik op het laatst weer bijna al mijn oude maten uit Doorn om me heen verzameld had. Aangezien we lichte dienst hadden, leidden we een betrekkelijk rustig leven. Na het baksgewijs en ontbijt gingen we zwemmen in de baai. Vanaf de steiger doken we er zo in, het water was kristalhelder en lekker warm. De stranden waren van een heel fijn spierwit zand. Later zou ik leren dat het koraalzand (karang) was. Als je een wondje aan je voeten had, of je stootte je voeten tegen een stuk karang, kon je hele gemene tropenzweren oplopen. Op de stranden langs de hele baai lagen veel gestrande en zwaar verroeste Amerikaanse landingsschepen uit de Tweede Wereldoorlog. De Amerikanen hadden ze gewoon achtergelaten. Later zouden we nog meer van dergelijke overblijfselen uit de oorlog zien.
Na een week kwam aan dit rustige leventje een einde toen we ons inscheepten op de Hr.Ms.Piet Hein, een oude torpedobootjager uit de tweede Wereldoorlog die ons naar Sorong zou brengen waar we een opleiding zouden krijgen tot wapenspecialist. Handenwrijvend en breed grijnzend stond de bemanning ons op te wachten. We werden onmiddellijk ingeschakeld voor dienst. Wachtlopen als uitkijk, de kok helpen in de keuken met afwassen, toiletten boenen en dek schrobben. Het schip had natuurlijk geen accommodatie voor ons zodat we na vast werken maar een plekje moesten zien te vinden aan boord. Dat betekende dat we overdag aan het werk waren en ’s nachts maar ergens een plaatsje moesten zien te vinden waar je niet in de weg lag. Aangezien het dan op zee flink koud is, waren de ijzeren tralies van de machinekamer waar warme lucht uit opsteeg, favoriete plaatsjes om te slapen. Lang hield je het daar niet uit van de pijn in je heupen en schouders.
Zolang het licht was waren de dagen goed door te brengen. Sommige jongens lieten hun haar door de scheepsbarbier millimeteren. Onder luid gejoel werden ze door de rest van de maten ontvangen. Tussen de dienst door speelden we kaart of keken ademloos in het rond. Het was een schitterend gezicht. Aan bakboord de lange donkerblauwe bergachtige kust, aan stuurboord het diepblauwe water van de grote oceaan met de vliegende vissen die opgeschrikt werden door het schip, en sierlijk als vogels over de golven zweefden. Dolfijnen speelden rond de boeg van het schip en hielden ons urenlang gezelschap. Op een nacht werden we ruw uit onze slaap opgeschrikt door het gebulder van het scheepsgeschut. Het waren de luidste knallen die ik ooit had gehoord en het hele schip sidderde ervan. In de veronderstelling dat we op een vijandelijk schip waren gestuit, renden we naar dek maar daar stond niemand. Het bleek dat er ergens in de buurt een scheepswrak lag dat beschoten was bij wijze van oefening als het schip er langs voer.
Na twee dagen bereikten we de haven van Sorong. Een manshoge steiger van ruwhouten boomstammen stak uit het water en via een gammele trap bereikten we de vaste wal. Lage gebouwen met zinken daken stonden tussen de roerloze palmen. Op het strand dat bezaaid was met brokken koraal renden rode krabben rond. Op de kade stonden enkele Papoea's het allemaal aan te zien. Ze hadden harde felle koppen met haakneuzen waardoor botjes staken. Een heel ander soort mensen als degene die ik in Biak had gezien. De stad ligt in de Vogelkop en is de meest Westelijke plaats van Nieuw-Guinea. We werden in trucks geladen en naar het kamp gebracht dat een flink eind rijden van de stad lag. Het bleek een vrij uitgestrekt kamp te zijn waar een versterkte compagnie van ongeveer 400 mariniers was gehuisvest. Ik werd in een barak gehuisvest samen met Stapert, Henk Weij en Sjaak Schouten. Oude maten die ik allen natuurlijk vanuit Doorn kende. Onze directe meerderen waren sergeant Bakker en korporaal Huijberts. In de barak lagen verder nog zes oudgedienden en een matroos/duiker van de Marine. De barak had geen ramen vanwege de hitte, boven onze (stapel) bedden hing een klamboe. Het was wel even wennen om zo weer deel uit te maken van een strak gereglementeerde eenheid, en het kader liet er geen gras over groeien om de disciplinaire touwtjes weer strak aan te halen. 
Ik was ingedeeld bij een mortierpeleton en zou dus een opleiding tot mortierist krijgen. Een mortier is eigenlijk niets anders als een korte kanonsloop die op een onderplaat en een tweepoot steunt. Boven in de loop laat je een granaat vallen die op een afvuurpen onder in de loop valt. De granaat wordt afgevuurd, verlaat de loop, en komt met een grote boog weer naar de grond waar hij ontploft. Door de loop op en neer, en zijdelings te laten zwenken (baksen) kun je de afstand en de richting tot het doel bepalen. Ook kun je extra zakjes kruit aan de staart van de granaat bevestigen om het bereik te vergroten. We hadden twee typen, het 60 mm mortier en het 81 mm mortier. Het kleine mortier heeft een bereik van 3 km, de grote tot 5 km. Bij het mortier hoorde een bemanning van vijf man. Een schutter, een helper (die de granaten erin gooide) en drie munitiedragers.
Elke dag gingen we onder leiding van de korporaal naar een grasveld waar we de mortieren opstelden en gingen oefenen. Dat ging tot in het oneindige door, zodat ik alle moeite had om op te blijven letten. Dat opletten was wel nodig, want de korporaal had ogen in zijn achterhoofd en zag alles. En als hij even die ogen sloot stond sergeant Bakker wel op te letten. Naderhand gingen we naar de schietbaan waar we met gietijzeren oefengranaten op denkbeeldige doelen schoten. Ze ontploften niet, maar ze verlieten wel de loop met een oorverdovende knal. Eindelijk kwam de dag dat we echt gingen schieten. We reden naar de haven en werden met een Zodiac rubberboot naar het eiland Jefman gebracht. Op dat eiland bevond zich ook het vliegveld, een voormalige Amerikaanse vliegbasis uit de tweede Wereldoorlog. Ik keek nieuwsgierig om me heen. Het was de eerste keer dat ik echt buiten was. In Biak waren we het kamp niet af geweest, evenals in Sorong, terwijl ik vanaf de Piet Hein het landschap vanuit de verte zag. Het was verpletterend mooi en indrukwekkend. Achter ons de donkere bergen begroeid met oerwoud van de Vogelkop. Voor ons een azuurblauwe zee, en prachtige tropische eilanden omzoomd met hoge klappers. De korporaal wees ons de eilanden Doom en het onbewoonde Krokodillen eiland. De rubberboot maakte vaart en steigerde op de golven zodat we ons stevig moesten vasthouden. Bij elke duik in een golfdal spoot het water op en vloog ons om de oren.
Op het eiland aangekomen, liepen we zwaar bepakt met granaten en mortieren naar het einde van het vliegveld waar we een doel in de vorm van een klip in zee zouden beschieten. Ik keek mijn ogen uit. Langs de startbaan lagen tientallen wrakken van Japanse vliegtuigen die door de Amerikanen met bulldozers aan de kant waren geschoven. De verf was er door de zon inmiddels af gebrand, en het aluminium schitterde fel in de zon. Ik herkende diverse typen vliegtuigen zoals Zero's en Betty's. Voorlopig kon ik er niet aan denken dit alles te bekijken, hoezeer ik er ook naar popelde. Er moest geschoten worden. Nu vond ik dat niet erg, want schieten is altijd wel leuk, het is beter als wachtlopen of schoon schip maken. Tijdens een pauze in het schieten kreeg ik de kans er tussen uit te knijpen en scharrelde rond tussen de vliegtuigen. Ik ging zelfs in een Zero zitten en vond het toestel verbluffend klein, maar toen ik achter in de staart van het vliegtuig iets hoorde ritselen en omkeek, zag ik een reusachtige groene leguaan van wel 40 cm lang, (kaki ampat) die daar kennelijk woonde, en boos tegen me siste, met zijn gevorkte tong uit de bek. Ik klom haastig uit het vliegtuig en keerde terug naar mijn maten.

Ook landingsoefeningen met de rubberboten op de kust. Meestal gingen we naar het Krokodilleneiland, maar ook voeren we landingen uit de vele andere onbewoonde eilandjes. Eerst moesten we leren de boten op te zetten en op te pompen. Eindeloze oefeningen volgden. Er zat een houten frame in en het kon acht mariniers met bepakking vervoeren met een snelheid van 60 km per uur. Eenmaal te water, vlogen we recht op het strand af, waarbij op het laatste ogenblik de motor werd opgetrokken. Het gaf een enorme klap, en we schoven wel vijf meter het strand op. Dan vlug eruit springen, over het strand naar de bosrand rennen en daar in stelling gaan. De oefeningen gingen weken achter elkaar door, zodat we op het laatst in minder dan twee minuten na de landing al in stelling lagen. Op een vrij weekend gingen we met een bootje van de marine naar Jefman om daar te gaan zwemmen. Eerst lagen we aan het strand, maar het zwemmen was lastig omdat je eerst over het drooggevallen koraal moest strompelen om bij de zee te komen. En als je eenmaal in zee lag, was je er nog niet zo makkelijk uit. Het koraal waaraan je moest optrekken was vlijmscherp en je moest oppassen voor wondjes want koraal is giftig. Je kreeg er wonden van die moeilijk genazen. Later ontdekten we een stuk verder een inham in zee met steile oplopende kanten waar je prima vanaf kon duiken. Dat hadden we een tijdje gedaan, totdat iemand voorstelde een strootje te gaan roken op de rotsen aan de kant. Even later zaten we tevreden rokend en kletsend op de rotsen en keken uit over de zee. Opeens sprong een van de jongens op, en wees sprakeloos naar beneden in de inham. Een enorme haai van zeker vier meter lang met zijn driehoekige rugvin boven water, zwom zoekend de inham in, draaide een paar rondjes en zwom weer naar zee terug. Die dag hebben we maar niet meer in zee gezwommen. We waren flink geschrokken.
We kregen een vervolg op het uitvoeren van landingen met de rubberboten. We moesten vanaf een landingsschip van de Marine al varende rubberboten lanceren die dan met grote snelheid landingen bij verrassing moesten uitvoeren. Eerst moesten we op het dek de rubberboten in elkaar zetten en oppompen, vervolgens werd de motor er op bevestigd. Daarna werd er een driehoekig hijsraam overheen gelegd en vastgemaakt met harpsluitingen. De boot werd met een davit opgetakeld en buitenboord gedraaid. Een korporaal ging achterin de boot zitten en startte de motor, terwijl een marinier voorin ging zitten voor het evenwicht en om een lijn die aan het schip was bevestigd vast te houden om te voorkomen dat de boot ging draaien in de wind. Daarna werd de boot naar beneden gevierd tot hij op het water lag. De kunst was om hem even snel te laten varen als het schip zodat je boord aan boord voer. Het hijsraam werd losgekoppeld, de overige mariniers gingen met touwladders aan boord van de rubberboot en de boot stoof weg over de golven. Tijdens deze oefeningen werd de snelheid steeds verder opgevoerd zodat op het laatst binnen 10 minuten zes rubberboten met in totaal 48 mariniers uitwaaierden van het schip en een verrassingsaanval uitvoerden op de kust.
Op een dag waren we ook weer bezig met deze oefeningen. Ik was aangewezen om voorin de boot de lijn vast te houden terwijl we naar beneden werden gevierd. De korporaal had net de motor gestart, ik stond voorin met de lijn in mijn handen toen ineens de voorste lijn afbrak en de boot voorover de zee in dook. Aangezien het schip zeer snel voer op dat ogenblik, sloeg de rubberboot over de kop. Net voor dat gebeurde schreeuwde de korporaal tegen me; duiken! Ik dook overboord en zwom stijl naar beneden om het schip te ontwijken. Het voer over me heen, en ik hoorde het roffelen van de beide schroeven. Toen ik weer boven kwam keek ik om me heen en zag het schip dat een heel eind verderop van me weg voer. Verbaasd merkte ik dat ik zelfs mijn karabijn nog in mijn hand had. Ook had ik mijn pack (rugzak) nog om en mijn koppel met munitie en veldfles. Ik lag midden in zee. In de verte zag ik vaag het vasteland als een blauwe reeks bergen met witte wolken er boven. Verder alleen water om me heen. Als alleen je hoofd maar boven de golven uitsteekt kun je niet ver kijken, soms als ik op de top van een golf dreef had ik wat uitzicht. Als je in een golfdal was zag je alleen maar blauw water om je heen. Eerst was ik teveel bezig met mezelf drijvende te houden, maar naderhand besefte ik dat ik midden in haaiengebied lag. Ze komen daar veel voor, en angstig dacht ik terug aan de zwempartij op Jefman. Het zal je toch niet gebeuren dat ze je pakken dacht ik, en probeerde door mijn hoofd onder water te houden onder me te kijken in de blauwe diepte. Maar ik zag niets anders dan lichtblauwe naar diepblauwe en zwart overgaande duisternis zodat ik dat idee maar opgaf. In gedachten zag wat een haai van uit de diepte van de zee zou zien als hij me zag. Twee benen watertrappend aan de oppervlakte. Een lekker beetgaar hapje.
Na zeker een half uur hoorde ik het geluid van een buitenboordmotor. Ik zwaaide uit alle macht met mijn karabijn om ze te laten zien waar ik was. Ik hoorde ze in kringen om me heen varen en roepen. Ik schreeuwde uit alle macht terug en even later waren ze bij me. Ik werd onder mijn armen beetgepakt en met zo'n vaart uit het water getrokken dat ik mijn hoofd stootte aan een scherpe rand van het hijsraam dat nog steeds op de boot lag. Mijn maten hadden zodra ze het ongeluk zagen gebeuren, een rubberboot die klaar lag om overboord te worden gevierd pardoes naar beneden gegooid in zee. Nog een geluk dat hij niet met de motor naar beneden terecht kwam, want het dek van het schip was zeker zes meter boven de zeespiegel. Ik bloedde als een rund, en toen ik aan boord werd gehesen van het schip dachten ze minstens dat ik zwaargewond was. Ik werd door de ziekenpa aan boord behandeld en kreeg een prachtige witte tulband om mijn hoofd. Mijn vechtpet was ik door de onvrijwillige zwempartij kwijt geraakt, en ik moest een nieuwe kopen hoewel ik zoals gewoonlijk krap bij kas was. Enigszins verbitterd bedacht ik me dat ik beter mijn vechtpetje vast had kunnen houden dan mijn karabijn.
Op de oefeningen met de rubberboten die we nu tot in de perfectie uitvoerden was inmiddels een nieuwe variant bedacht. We moesten nu landingen uitvoeren op kusten waar een hoge branding stond. Op sommige stranden die direct aan de Grote of Stille Oceaan grensden stond een verschrikkelijke branding waar we met ontzag naar keken. Vanuit een veilige afstand op zee hoorde je de enorme golven al brullen voor ze met veel gesis en gedonder op het strand uiteen sloegen. De kunst om op deze stranden veilig te landen was afgekeken van de Papoea's die dat met hun vlerkprauwen heel handig deden. Ze waren de uitvinders van het surfen. Vanaf een afstandje wachtten ze geduldig op een grote golf. Als die eraan kwam begonnen ze als een bezetene in de richting van de kust te pagaaien zodat ze op de rug van de golf terechtkwamen. Op die rug meegedragen landden ze veilig (en met droge voeten) op het strand.
Onze opleiding was bijna voltooid, op één ding na, de jungletraining die nu ging plaatsvinden. Ik was wel benieuwd want ik was op een enkele tocht van een paar honderd meter nog nooit in de bush geweest. Het maakte me ook wel een beetje angstig want wat ik inmiddels had gezien en gehoord maakte me niet bepaald enthousiast. Van een afstand zag het er uit als een dichte groene muur. Het was heel anders dan de bossen die ik in Nederland had gezien. Daar stonden de bomen netjes naast elkaar zodat je door de bomen heen kon kijken. Hier was het één grote worsteling tussen bomen en struiken om licht te ontvangen, waardoor er geen ruimte meer was. Bovendien waren alle bomen overdekt met soorten lianen (rotan) die zich ten koste van alles omhoog vochten. Onder leiding van sergeant Bakker stelden we onze uitrusting samen. Het zou een korte patrouille worden van vier dagen. Het leek me wel lang, maar later zou ik patrouilles lopen die zes weken duurde. In onze pack (rugzak) pakten we munitie, noodrantsoenen eten, droge kleren en wat persoonlijke dingen. Om het pack werd een rol bevestigd bestaande uit een waterdichte poncho, een halve tent, een klamboe en een slaapzeiltje. Verder werd er achter op het pack nog een parang en een rol dik touw vastgemaakt. Het geheel was bijna niet te tillen, en na verloop van tijd sneden de riemen onbarmhartig in je schouders. Ik moest mijn geliefde junglekarabijn voor deze gelegenheid inleveren voor een Thomson (Tommygun), een pistoolmitrailleur. Een onhandig en lomp wapen dat niet lekker op je schouder hing, maar in de hand gedragen moest worden. We vertrokken vanuit Sorong en zouden een stuk doorsnijden van de Vogelkop om vervolgens bij de kust uit te komen. Met ons mee gingen twee Papoea politieagenten en twee Papoea gidsen. Tot mijn grote opluchting liepen we over een min of meer gebaand pad tot we bij een kampong kwamen.

Er werd ons verteld, dat wij eerst een oefening zouden krijgen in het "belabberen" van een kampong. Dit betekend dat in geval een kampong wordt verdacht terroristen te herbergen, de hele bevolking hun huizen wordt uitgejaagd om gecontroleerd te worden. We vormden een ring om de kampong zodat niemand kon ontsnappen en gingen daarna met de bajonet op het geweer hut na hut langs om iedereen naar buiten te jagen. Ik voelde me net een SS-er en zo voelden de meesten van ons zich. Verschrikte gezichten van de vrouwen, huilende kinderen en onwillige mannen met stuurse gezichten werden door ons naar sekse gescheiden op het de open plek midden in de kampong. Daarna werden de hutten doorzocht, waarbij we enige oude mannen en vrouwen vonden die bedlegerig waren, en dus niet naar buiten konden. Het was de eerste keer dat ik in een kampong was, laat staan in een Papoea hut, en wat ik zag deed me versteld staan. De onvoorstelbare armoede, en de vuilheid ervan schokten me. De vloer bestond uit aangestampte aarde, en langs de kanten waren britsen (baleh-baleh) gemaakt van takken en oude rommel waar de mensen op sliepen. In het midden brandde een vuurtje die de hele hut in een dichte stinkende smook hulde, en die je ogen deden tranen. Verder was er niets in de hut behalve wat kookgerij, de wanden bestonden uit gevlochten bamboe stroken en het dak was van palmbladeren (atap). Natuurlijk vonden we niets in de hutten, de mensen waren geen terroristen, maar dienden slechts als figuranten in ons oorlogsspelletje. Nadat een onderofficier zich had verontschuldigd in gebroken Maleis, gingen de mensen schoorvoetend weer in hun hutten terug, maar in hun ogen was de schrik te lezen.
We vertrokken vanuit de kampong in de richting die de beide gidsen ons aangaven, en dit keer ging het niet langs een gebaand pad, maar recht door de bush. Het was er schemerdonker, en er hing een stank van rottende vegetatie die je in het begin hoofdpijn bezorgde. Het was er vreemd klam en het was er broeiend heet. De bodem bestond uit dikke zwarte slik waar je bij elke stap tot je enkels in wegzakte, en waar je zuigend je schoen uit moest trekken. Vanuit de bomen en lianen boven je, druppelde gestadig regen naar benden totdat je na een tijdje doorweekt was van je eigen zweet, en de regen. Het was vreselijk vermoeiend en na een tijdje werd de lange rij zwoegende mannen steeds langer omdat we steeds verder uit elkaar raakten. Ik had absoluut geen benul meer van mijn omgeving. Hijgend en zwoegend ploeterde ik voort en hoopte en bad dat er snel een einde zou mogen komen aan deze beproeving. Maar het zou nog erger worden, want na een uurtje kwamen we aan een steile helling die we moesten beklimmen. Met elke stap die je omhoog klom, gleed je er drie weer terug door de modder. Bijna plat op mijn buik, en me vastpakkend aan elke struik of boom wist ik me meter na meter omhoog te werken. Ik vervloekte de zware Tommygun die ik steeds in mijn handen moest houden, en die handen had ik nu net zo nodig om me overal,als een aap aan vast te klampen. Met verbazing keek ik naar de gidsen die op hun blote voeten haast achteloos naar boven klommen. Met hun tenen grepen ze zich vast in de modder en achter plantenwortels. Maar wij hadden te maken met zware schoenen met bijna profiel loze zolen waarmee je geen grip had.
De beklimming duurde uren. Op het laatst wist ik niet meer waar ik het zoeken moest, zo uitgeput was ik. Boven me zag ik enkele met zwarte modder bedekte jongens die net als ik volkomen verdwaasd, zonder het verstand erbij te hebben, naar boven ploeterden. Soms verloor iemand zijn evenwicht en gleed tientallen meters naar beneden, totdat hij zich vast kon grijpen aan een boom. Alles deed me pijn, elke spier in mijn lichaam schreeuwde om rust. Na een tijd hielden we halt. Strootje roken! Riep de sergeant joviaal, maar je kunt beter niet gaan zitten want er zitten hier bloedzuigers. Argwanend keek ik om me heen, wat nu weer? Maar het leek mee te vallen, en na een half uurtje gingen we weer op weg. We hadden ook een slok water uit onze veldflessen mogen nemen. We hadden er elk twee, maar daar mochten we niet naar goeddunken uit drinken. Er heerste "waterdiscipline". Dat wilde zeggen dat je alleen mocht drinken als je dat werd toegestaan. Het was om te voorkomen dat je je veldflessen te vlug achter elkaar leegdronk, en later zonder water kwam te zitten. Toen we de top van de tjot (berg) bereikt hadden, werd het voortgaan weer iets makkelijker. Na verloop van tijd staken we een rivier (kali) over, waar we ons kamp zouden opslaan.
Een kamp werd altijd aan een kali opgezet, omdat je dan water had om eten te koken, te drinken en om je te wassen (mandiën). Om je slaapplaats te maken werden er stokken (met een gaffel) die je had gekapt in de grond geslagen met behulp van je pionierschop. Daarna werden er stokken gekapt die je door twee brede zomen van je slaapzeiltje stak. De stokken van het slaapzeiltje werden op de gaffelstokken vastgemaakt met rotan. Je had dan als het ware een platform ongeveer 50 cm boven de enkeldiepe modder waarop je kon slapen. Er werden twee slaapplaatsen vlak naast elkaar gebouwd. Daarna werden er twee lange stokken in de grond gestoken aan de voor- en achterkant van de slaapplaatsen een met een nok tak verbonden. Daarover werd je tentzeil (je had elk een halve die je aan elkaar kon knopen) gespannen en daaronder je klamboe. Je had dan een droge en redelijk comfortabele baleh-baleh (slaapplaats), beschermd tegen kruipend ongedierte, en tegen muskieten. 
Aangezien we dit alles natuurlijk nog moesten leren, duurde het een hele tijd voor we het kamp klaar hadden. Daarna waren we zelf aan de beurt. Snel de modderige en bezwete, natte kleren uit, en mandiën in de kali. Die was niet diep, maar snelstromend, en ik liet het koele schone water genietend over me stromen. Jong als we waren, hadden we ons weer snel hersteld, maar een dominee die met ons mee was, een "oude" man van ongeveer veertig jaar oud, was totaal uitgeput. Hij kon niets meer doen. De laatste uren hadden we hem moeten ondersteunen en eenmaal bij het kamp aangekomen zeeg hij in de kali neer en bleef daar minstens een uur onbeweeglijk zitten. We hadden allemaal medelijden met hem, en brachten hem hete koffie die we hadden gezet, en waarvoor hij zeer dankbaar was. Sergeant Bakker had voor hen beiden een slaapplaats gemaakt, zodat hij na het eten van zijn noodrantsoen meteen ging slapen. Wachtlopen hoefde hij niet, zodat hij de volgende morgen, na een nacht bewusteloze slaap weer redelijk fit was. Er was natuurlijk een vuur gemaakt waarop we de rantsoenen konden warmen en dat enig licht gaf, want in de tropen is het om 18.00 uur al stikdonker. Rondom het vuur staken we stokken in de grond waarop we onze schoenen zetten om te drogen. Nadat we gegeten hadden maakte de sergeant het wachtschema bekend, het bleek dat ik van 2 tot 3 uur de wacht had. Ik werd geroepen door degene die voor me liep, en moest degene die na mij liep weer wekken. Het ergste is als je op stond, dat je je natte kleren en schoenen weer aan moet trekken. Je slaapt in je droge stel kleren en onder geen beding mogen die nat worden, want je krijgt in een regenwoud niets meer droog. Toen ik dan ook werd gewekt, trok ik met rillingen van afschuw mijn natte zootje weer aan en loste de wacht af. Die vertrok met een haastige groet en dook meteen zijn baleh-baleh in om de verloren slaaptijd weer in te halen. Ik keek eens om me heen en zag in het schijnsel de slaapplaatsen rondom het vuur, en als een zwarte muur het oerwoud rondom ons. De hemel was niet te zien door de bomen boven ons. In de verte hoorde ik de kali stromen, en verder was het constante gezoem en gesnerp te horen van miljoenen insecten. Ik schoof wat dichter naar het vuur en wierp en wat takken op, want een van de taken van de schildwacht was het aanhouden van het vuur. Ineens hoorde ik vlak achter me een geluid of iemand op een afknappende tak stapte. Ik verstijfde, en hurkte neer met de Tommygun in de aanslag. Er gebeurde niets, ik ontspande wat, waarschijnlijk een dier of zoiets. Ineens een harde gil iets verder op in de bush. Het zweet brak me uit, wat was dat nu weer? Maar ook nu gebeurde er niets en langzamerhand raakte ik wat gewend aan al die vreemde tropische nachtelijke geluiden. Het volgend uur leek het wel alsof de bush van tijd tot tijd tot leven kwam. In golven waren er ineens allerlei geluiden te horen die varieerden van brekende takken tot hoog gegil en een aanzwellend gesnerp van de binatangs. Even later zag ik ook groene lichtjes aan de rand van de bush en begreep dat dat vuurvliegjes moesten zijn. Ik was blij toen mijn wacht erop zat, en ik mijn opvolger kon wekken, want er is veel geheimzinnigheid in een tropisch oerwoud bij nacht, en als je niet oppast gaat je verbeelding met je aan de loop. De volgende dag liepen we over deels gebaande en verharde wegen naar de kazerne, en ik voelde me een hele piet, dat ik deze eerste training er zo goed van had afgebracht.
Er werd in Nieuw-Guinea ook olie gewonnen, en wel door de Nederlands Nieuw-Guinea Oliemaatschappij, kortweg de NNGPM. Dat gebeurde in Klamono, een mijnstadje op ongeveer 50 KM westelijk van Sorong. Aangezien dat ook een mogelijk doelwit kon zijn voor Indonesische infiltranten moesten wij er heen om polshoogte te gaan nemen, en om te kijken of er een permanente bewaking moest worden gevestigd. De reis er heen ging per boot. Eerst over zee, en vervolgens over de Klamono rivier naar het stadje. Het werd een prachtige tocht. Eerst over een prachtige blauwe zee naar de monding van de rivier. We passeerden diverse eilandjes die zo weggelopen konden zijn uit een reclamefilm. Met prachtige witte stranden, omzoomd door hoge klapperbomen, en een prachtige frisgroene vegetatie daarachter. De kust van het vasteland veranderde naarmate we verder kwamen in een mangrovebos. Het was een vreemd gezicht een hoog dicht oerwoud te zien dat met zijn voeten in het water staat. De monding van de rivier was al van verre te zien als een streep bruin water die diep in de schone blauwe zee vloeide. Toen we bij de monding van de rivier aangekomen waren was het eb, en voorzichtig voeren we op het diepbruine water de dichte donkere muur van het oerwoud in. Naarmate we verder kwamen kon ik goed de oevers van de rivier zien die bestonden uit dikke zwarte modder waarop de kromme luchtwortels van de mangrovebomen stonden. Onder die wortels waren donkere holen die er dreigend en griezelig uitzagen. Er komen daar veel zeekrokodillen voor die in de mangrovebossen hun voedsel zoeken. We voeren langzaam voort over de rivier en keken speurend naar dieren op de oevers. Zo nu en dan passeerden we kleine kampongs met huizen op palen die er armoedig en vervallen uitzagen. De mensen evenwel zwaaiden ons vrolijk na, en de kinderen liepen schreeuwend een tijdlang langs de oever met ons mee. We gooiden handenvol snoep uit onze noodrantsoenen naar ze toe tot de snoep op was, en wij uit het gezicht. Klamono bleek een vies stadje te zijn, met vervallen plaatijzeren huizen, roestige olietanks en morsige mannen die bij de NNGPM werkten. Er stond een kroeg die dag en nacht vol zat met drinkend en luidruchtig volk, die ons enigszins spottend bekeken. We gingen naar een plaats verderop in de bush waar we onze baleh-baleh opzetten.
Ik zat ernstig in de stress, want mijn sigaretten waren op. Ik had ook geen geld om nieuwe te kopen, en bietsen bij de maten ging ook niet meer want ook die hadden ook niets meer. Toen we dan ook de keus hadden om de 50 KM naar Sorong terug te lopen in plaats van met de boot koos ik voor lopen, omdat je dan een extra noodrantsoen kreeg. En in dat pakket zat onder andere een blikje met versnaperingen, waaronder een pakje van 10 sigaretten met een doosje lucifers. Dus de keus was easy nietwaar? We vertrokken in de namiddag en zouden de hele nacht doorlopen langs een in staat van ontbinding verkerende weg die van Sorong naar Klamono was aangelegd door de Amerikanen in de 2e wereldoorlog. Nadien was hij gebruikt voor het vervoer van olie met tankwagens van de NNGPM. Nu lag er een pijpleiding voor het vervoer van de olie, waardoor de weg niet meer gebruikt werd en het oerwoud er weer bezit van kon nemen. En dat deed de bush ook, na twee jaar was van de weg slechts een smal modderig voetpad overgebleven dat werd gebruikt door de Papoea's die in de kampongs woonden die langs de weg lagen. Het was een surrealistisch gezicht om te zien hoe het oerwoud weer bezit nam van de door mensenhanden gebouwde weg. Hele stukken asfalt waren doorboord door omhoog groeiende bomen, en mee omhoog genomen waardoor ze op twee meter boven de weg hingen. Langs de weg stond aan weerszijden het oerwoud als een muur, met huizenhoge bomen omstrengeld met lianen, waarin witte kaketoes zaten te krijsen als we voorbij liepen. Als het oorlog is hoort de vijand je al op kilometers afstand aankomen, bromde de sergeant en vuurde een schot af op de vogels die even opvlogen, en zich toen met verdubbeld gekrijs weer in de bomen nestelden. Toen de duisternis inviel na een korte schemering zoals altijd in de tropen, kleurde de hemel met prachtige kleuren van de ondergaande zon. Na het invallen van de duisternis liepen we voorzichtig verder. Boven ons stond een sterrenhemel, zo helder en klaar als ik het denk ik, nadien nooit meer gezien heb. Miljarden sterren stonden er aan de hemel en gaven zo veel licht dat we zonder licht van de zaklantaarns onze weg konden vinden. Daarna kwamen de muskieten. Met hele wolken tegelijk vielen ze ons aan, en staken waar ze maar konden. Ze kropen langs mijn kraag en door mijn mouwen naar binnen en probeerden zelfs in mijn gehoorgangen en neusgaten te kruipen. Muskietennetten op! riep de sergeant, en toen herinnerde ik me het kleine ronde muskietennet die bij mijn patrouille uitrusting hoorde. Al grabbelend in het duister in mijn pack wist ik het te vinden en trok het vlug over mijn hoofd. Ik had me al een paar keer afgevraagd waar het voor diende. Was het werkelijk zo erg met de muskieten dat je dat net over je hoofd moest trekken? Ik kon het me niet voorstellen en we maakten er onderling grappen over en gebruikten het ook wel als draagnet. Maar ik was er nu erg blij mee, en trok de zak (want dat was het eigenlijk) vlug over mijn hoofd en trok het koordje rond mijn nek stevig vast. Zo, nu waren enkel mijn handen nog onbeschermd en die kon ik regelmatig afvegen. Niet dat ik bang was voor malaria, daartegen namen we elke dag een Paludrine pil in, maar ik vind het vreselijk om door insecten (of andere dieren) geconsumeerd te worden. We liepen de hele nacht door, grote vliegende honden, (Kalongs) een soort vruchten etende vleermuizen ten grootte van een konijn vlogen verschrikt op als we langs liepen en stootten schelle kreten uit. De hele sfeer was een beetje spookachtig, vol met het aan- en afzwellende gezoem en gesnerp van insecten, geluid van afbrekende takken en gegil en geschreeuw van dieren. 
Tenslotte brak de morgen aan, en de dichte zwarte muur aan weerszijden van ons, veranderde weer in een groene muur, dichtbevolkt met kaketoes en loeries. De laatsten zijn vruchtenetende papegaaien, prachtig gekleurd met een rode snavel en een kwastvormige tong. Met hun snavel bijten ze de vrucht stuk, om het sap vervolgens met hun tong op te likken. We stopten om koffie te zetten en ons noodrantsoen op te warmen boven een vuurtje dat we aangestoken hadden. Langs het pad passeerden we regelmatig kampongs waarvan de bewoners naar ons toekwamen zodra ze ons zagen. Bij ons was een oudere ziekenpa die mij wees op het grote aantal zwangere jonge meisjes. De meesten waren inderdaad erg jong, sommigen leken zélf wel kinderen. Hij vertelde me dat soms vanaf het moment dat de meisjes voor het eerst gemenstrueerd hadden, ze als geslachtsrijp werden beschouwd. Sommigen al op de leeftijd van 10 jaar. Daarna duurde het niet lang voor ze zwanger werden en hun eerste kind baarden. De kindersterfte was hoger dan 50%, en de gemiddelde levensverwachting van de Papoea was in die tijd niet hoger dan 35 jaar. In het kamp in Sorong gooide ik met een zucht van opluchting mijn zware pack op mijn bed. Zo kwam dan het einde van de opleiding en werd het net als eerder in Doorn, afwachten wat je volgende plaatsing zou zijn. Natuurlijk waren er voorkeursplaatsen. Hollandia en Manokwari waren het meest geliefd. Het laagst in tel waren Fak-Fak, Kaimana en Merauke. Het had te maken met het feit dat Hollandia de grootste stad was van Nieuw-Guinea, en dus was er meer te beleven. Al de plaatsen langs de Zuidkust, dus tegenover Indonesië gelegen waren minder in trek omdat het afgelegen gaten waren waar niets te doen was. Alleen bush, modder en muskieten. Een paar dagen van te voren hing de lijst op het publicatiebord bij de kantine. Ik zag tot mijn grote vreugde dat ik samen met mijn vaste maat Ritsel was overgeplaatst naar Hollandia. Ook Fred Wegeman, Ritsel en Ton Stoopendaal waren erbij. De jongens waar ik de barak mee had gedeeld, bleven allemaal in Sorong. Op de dag van vertrek lagen de Hr.Ms. Piet Hein en de Hr.Ms. Overijsel, in de haven van Sorong om ons te vervoeren naar de plaats van bestemming. De Piet Hein ging naar de Zuidkust, de Overijssel naar Biak en Manokwari. De tocht naar Biak was bijna als die met de Piet Hein vier maanden eerder, maar met een groot verschil. De Overijssel was een moderne onderzeebootjager in vergelijking met de oude Piet Hein. De manschapverblijven hadden airco en omdat het schip veel groter was, konden wij daar een plaatsje vinden om te slapen. Een werkelijk ongekende weelde, na vier maanden vochtige, klamme hitte die maakte dat je altijd en overal klam van het zweet was. In Biak werden we weer in de bekende barakken gelegerd, en was het wachten op het vervoer naar Hollandia.
Naar boven
Copyright © E.Schurink.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Opleiding te Hollandia
De tocht naar Biak was bijna als die met de Hr.Ms. Piet Hein vier maanden eerder, maar met een groot verschil. De Hr.ms. Overijssel was een moderne onderzeebootjager in vergelijking met de oude Piet Hein die nog uit de tweede wereldoorlog stamde. De manschapverblijven hadden airco en omdat het schip veel groter was, konden wij daar een plaatsje vinden om te slapen. Een werkelijk ongekende weelde, na vier maanden vochtige, klamme hitte die maakte dat je altijd en overal nat van het zweet was. In Biak werden we weer in de bekende barakken gelegerd, en was het wachten op het vervoer naar Hollandia.Typisch voor het Korps was, dat we tot onze verrassing op de dag van vertrek niet naar de haven, maar naar het vliegveld werden gebracht. We gingen aan boord van een DC3 (Dakota) van de Kroonduif, een dochteronderneming van de KLM. Het was een klein toestel, twee rijen stoelen aan weerszijden van het gangpad. Een bijzonderheid vond ik verder dat het vliegtuig aan de binnenkant niet was bekleed, maar dat je zo tegen de spanten aankeek. De stoelen waren heel eenvoudig, een ijzeren frame bedekt met bruine canvas. Als het toestel op de grond stond, helde het sterk achterover, omdat het aan de achterzijde steunde op een klein wieltje. Met het vaart maken voor het opstijgen kwam de staart omhoog en lag het toestel verder recht. Het vliegtuig was niet helemaal vol bezet, en we konden zo in de cockpit kijken van waaruit wij zaten omdat de deur open stond. We vlogen uren boven het oerwoud. Eindeloze oerbossen, doorsneden door zilverkleurige slingerende rivieren. Van boven af gezien leek het wel op een enorm boerenkoolveld, maar van de uitgestrektheid van deze wildernis raakte ik onder de indruk. Een zee, nee een oceaan van land, twintig keer zo groot als Nederland.
De tocht duurde niet erg lang, na vier uur vliegen landden we op het vliegveld Sentani bij Hollandia. Ook dit vliegveld was door de Amerikanen aangelegd tijdens de tweede wereldoorlog, evenals de veertig kilometer lange weg naar Hollandia. Het vliegveld is gelegen in het vlakke gebied bij het Sentanimeer en wordt van Hollandia gescheiden door het Cycloopgebergte. Het is een heel ander landschap dan de Vogelkop. Vanuit het vliegtuig hadden we het uitgestrekte Sentanimeer gezien, omzoomd door heuvels bedekt met alang-alang, een manshoge grassoort. Het gebied was niet zo moerassig en veel droger dan bij Sorong. De start- en landingsbanen waren omzoomd met hoge klapperbomen. We werden opgewacht door een korporaal en een matroos en zonder veel plichtplegingen in een truck geladen die ons naar de kazerne zou brengen. Hotsend en botsend reden we langs de smalle weg langs het Sentanimeer waar langs de oevers bamboehuizen met daken van atap (palmbladeren) op palen in het water stonden. Daarna langs Kota Baroe, een redelijk grote desa waar de militaire strafgevangenis was. De weg steeg met haarspeldbochten de bergen in. Steeds hoger ging het, tot we de vlakte van Sentani beneden achter ons zagen in het scherpe zonlicht. De weg slingerde zich, dan weer stijgend, dan weer dalend door de uitlopers van het Cycloopgebergte. Soms konden we vanaf een hoog punt de blauwe Stille Oceaan zien en de witte wolken er boven. Het leek wel een plaatje van Hawaï, zoals ik wel eens gezien had in een tijdschrift, en ik prees me eens te meer gelukkig dat ik het geluk had dit mee te maken. De truck scheurde over de smalle weg en zwaaide van links naar rechts in de haarspeldbochten zodat we ons al foeterend stevig vast moesten houden aan de houten banken. Kennelijk kende de chauffeur de weg als zijn broekzak, maar ik was er niet helemaal gerust op. Helemaal niet toen we een uit de bocht gevlogen autobus in een ravijn zagen liggen.
-Vijf en twintig doden, sprak de matroos die naast ons in de bak zat nonchalant.
-De remmen van de bus weigerden en toen is hij de bocht uitgevlogen.
Ik zei niets, maar was behoorlijk opgelucht toen we na een flinke afdaling met piepende banden en knallende motor, Hollandia bereikten. Overigens moet ik zeggen dat er door chauffeurs van de Marine wel goed, maar vaak in een halsbrekende tempo werd gereden.
Hollandia is gelegen aan de Humbolt baai, een prachtige natuurlijke haven waar ook grote schepen kunnen laden en lossen en bood een schilderachtige aanblik. Rondom de blauwe baai liggen uit de oceaan oprijzende groene heuvels die dokken worden genoemd en waarop de stad is gebouwd. Van de havenkant loopt de Oranjelaan rechtdoor tot aan het Kloofkamp, de marinierskazerne. Erlangs waren Europese winkels en veel Chinese toko's gevestigd, en zelfs een bioscoop. De eerste impressie van de stad was erg goed, en dat gevoel werd nog sterker toen we door de poort de kazerne inreden en een echt zwembad ontwaarden. Voorbij het zwembad was een kleine binnenplaats waaromheen de garage, wapenkamer en de manschapverblijven lagen, evenals de officiers en onderofficiers onderkomen. Het was de kleinste kazerne die ik ooit had gezien, en enigszins ongelovig namen we dit miniatuur kampje in ons op.
Hollandia is gelegen aan de Humbolt baai, een prachtige natuurlijke haven waar ook grote schepen kunnen laden en lossen en bood een schilderachtige aanblik. Rondom de blauwe baai liggen uit de oceaan oprijzende groene heuvels die dokken worden genoemd en waarop de stad is gebouwd. Van de havenkant loopt de Oranjelaan rechtdoor tot aan het Kloofkamp, de marinierskazerne. Aan beide zijden van de laan waren Europese winkels en veel Chinese toko's gevestigd, en zelfs een bioscoop. De eerste impressie van de stad was erg goed, en dat gevoel werd nog sterker toen we door de poort de kazerne inreden en een echt zwembad ontwaarden. Voorbij het zwembad was een kleine binnenplaats waaromheen de garage, wapenkamer en de manschapverblijven lagen, evenals de officiers en onderofficiers onderkomen. Het was de kleinste kazerne die ik ooit had gezien, en enigszins ongelovig namen we dit miniatuur kampje in ons op.
Nadat een streng uitziende chef d’Equipage ons had begroet, werden we overgedragen aan korporaal Zwemmer die de leiding had over het mortierpeloton. We kregen een slaapplaats toegewezen in een barak op de hoek naast de wapenkamer met uitzicht over de binnenplaats. Een bijzonderheid was dat de ramen niet open waren, maar afgedekt met muskietengaas, waardoor we niet onder klamboes hoefden te slapen. Een hele vooruitgang, want klamboes lijken altijd wel muf te ruiken, en het voelt benauwd en opgesloten. Bovendien slaapt het niet lekker als je horden bloeddorstige muskieten om je bed heen hoort zoemen. Ze kunnen wel niet bij je komen, maar toch...En als je in je slaap met je been of arm tegen de klamboe aan ligt, wordt je daar evengoed gestoken waardoor je altijd onder de bulten zat. Ik koos een bovenbed en kreeg Kees Plug onder me als slapie. Het bed naast me werd bezet door Tom, en in het bed vlak naast de ingang, bij het raam waar het het koelst was, lagen Visser en korporaal Zwemmer.
Voor onze kamer stond onder de galerij een bank waaraan we (als we kampdienst hadden) 's morgens ontbeten en koffie dronken. Het middageten gebruikten we in de marinekazerne die niet ver van ons kamp op een hoge tjot lag. We stapten dan in een van de twee trucks die het kamp rijk was, een DAF en een Ford en werden naar boven gereden. Eerst een stukje de Oranjelaan af, langs de MP gevangenis, de brug over de kali over, naar rechts en de steile helling op naar de kazerne. Elke Maandag aten we nasigoreng met erwtensoep. De combinatie van de twee gerechten is een gotspe, maar gek genoeg kijkt iedereen in de Marine tot op de dag van vandaag er naar uit. De andere dagen rijst met groenten en vlees, met als uitschieter op Zondag een meer dan heerlijke rijsttafel met wel 10 verschillende gerechten. Ik heb het eten bij de Marine altijd erg goed gevonden, maar in Hollandia spanden ze de kroon. Soms was er een zending aardappelen uit Australië die half verrot was. Ze werden dan op de binnenplaats uitgestort en iedereen moest helpen om de beste er uit te zoeken en die te schillen. Bijna iedereen had dan de smoor in, want dat betekende zuurkool met leuning die middag. Er zijn betere combinaties denkbaar bij 32° hitte.
Daarnaast werd er ook stevig geoefend en gewerkt, dus vrije tijd was schaars en onbekend, maar het paste in het beeld van die dagen toen zesdaagse werkweken van 48 uur normaal waren, en vakantie voor de meeste mensen een onbekend fenomeen was.
Een van de eerste taken was dat ik werd ingedeeld om wacht te lopen bij het gouvernementspaleis. Het paleis was gelegen in Dok Lima (vijf), veruit de deftigste buurt van de stad. De Gouverneur, de resident en vele hoge bestuursambtenaren woonden er met hun gezinnen en bedienden.
Tot mijn verrassing werd ik al na drie weken na aankomst in Hollandia ingedeeld om zes weken op patrouille te gaan. Waarheen wisten we niet, had ook geen enkele zin om het ons te vertellen, want achter de stad begon een groene oceaan van bomen die als je het op de kaart van Europa projecteert, strekte van Oslo tot Madrid. Geen wegen, spoorlijnen, bruggen, telefoonlijnen of steden, alleen verstikkend groen, modder en van ongedierte vergeven oerwoud. Ik was er wel blij mee toen ik mijn naam op de lijst zag staan. Zes weken is lang, het betekende ook dat je al die tijd afgesloten was van alle contact. Sergeant Paulus was patrouillecommandant, een oude rot die in de tweede wereldoorlog als krijgsgevangene door de Japanners tewerkgesteld was bij de Birma spoorweg, en daar veel had meegemaakt. Een strenge maar rechvaardige vent en bovendien een zeer ervaren woudloper.
Minutieus werden de voorbereidingen voor de patrouille voorbereid. We moesten elk twee dungarees, leggings, sokken en ondergoed inleveren die gedrenkt werden in een grote tobbe met een chemische oplossing. Ze werden kletsnat aan de lijn opgehangen om te drogen. Het was als bescherming tegen een bloedzuigende mijt die in alang-alang voorkomt en een tropische koorts kan veroorzaken. Ik vroeg me af hoelang het goedje zou standhouden, want tijdens een patrouille liep je bijna constant in de regen. De chemische substantie zou er na niet al te lange tijd wel uit verdwenen zijn. Ook kregen we waterzuivering tabletten, en muskietenolie waar je je mee kon insmeren. Verder (veel) munitie, noodrantsoenen, kompas, parang, pikhouweel, rol touw, dubbele veldflessen, zaklantaarn en nog veel meer nuttige zaken. Ook ging er een ziekenpa mee, met uiteenlopende medicijnen en een verbindingsman met een seintoestel voor morseseinen en een aggregaat die stroom kon opwekken door met je armen aan twee trappers te draaien. De patrouille bestond uit 15 mariniers, aangevuld met twee Papoea politiemannen en 20 dragers (koelies) onder aanvoering van een mandoer.
De tocht zou ons diep in het onbekende bergachtige achterland brengen waar mensen woonden die behalve een zendeling of missionaris nog niet met de westerse civilisatie in aanraking waren geweest. In een bepaalde streek waren twee dorpen met elkaar in oorlog geraakt. Onze taak was om te onderzoeken wat er werkelijk aan de hand was, en of er Indonesische terroristen aanwezig waren. Nieuw-Guinea is gevormd zoals de meeste eilanden van vulkanische oorsprong. De kusten stijgen langzaam naar boven op met in het midden van het eiland een graat met hoge bergen. In tropische regenwouden zoals in Nieuw-Guinea regent het elke dag, er valt gemiddeld vier meter regen per jaar tegen in Nederland slechts één meter per jaar. De massa overtollig water wordt door kolkende woeste stromen die onbevaarbaar zijn, zoals de Idenborgh en de Marijke rivier afgevoerd. Zij storten zich als het ware van de bergen en stromen uit in de Oceaan, grote massa’s bruin slib met zich meevoerend. De noordelijke kust bij Hollandia is vrij smal en loopt steil omhoog tot in de bergen. Daarom kun je niet zoals in Zuid Nieuw-Guinea waar de kustvlakte heel breed is, per prauw een stuk de rivier op varen als je het binnenland in wilt.
Op de dag van vertrek werden we met trucks naar de omgeving van het Sentani meer gebracht waar we tevens de koelies zouden ontmoeten die uit een kampong uit de buurt waren gevorderd. Het systeem was namelijk dat het gouvernement aan een kepala-kampong bevel gaf een aantal koelies te leveren. Dat was niet vrijblijvend, zij hadden dit maar te doen. Het loon voor deze mensen was vijf NNG gulden en een half pakje zware shag per dag. Ze stonden al op ons te wachten toen we bij de kampong aankwamen, met hun leider de mandoer. Ik had medelijden met ze, en twijfelde aan de goede afloop van de patrouille. Moesten die onze barang (bagage) dragen? Kleine schriele mannetjes met kromme beentjes, ingevallen buiken en huiduitslag. De barang die voornamelijk bestond uit proviand en pannen en potten werd uit de trucks gehaald en in lasten per man verdeeld. Daarna werd elke manlast die bestond uit verschillende grote blikken, met touwen aan elkaar vastgeknoopt, maar zodanig dat er twee lussen ontstonden waar de drager zijn armen door kon steken als bij een rugzak. Ik stond verbaasd toe te kijken hoe dat in zijn werk ging. De manlasten wogen minstens twintig kilo, terwijl de schriele mannetjes uit de kampong zelf misschien net zestig kilo wogen. De ruwe touwen waarmee de blikken aan elkaar waren geknoopt sneden diep in hun blote huid en moesten behoorlijk pijn doen. Toch klaagden ze niet, hoogstens trokken ze even een gezicht als de pijn al te gek werd. De mandoer trok en schikte dan wat aan de manlast, tot de koelie stopte met klagen.
Eindelijk vertrokken de lange stoet. Een Papoea politieman met een gids voorop, daarna mariniers. Daarachter de koelies, dan weer mariniers. De koelies waren als het ware opgesloten tussen de mariniers om ze te beletten ervan door te gaan. Als laatste een politieman die als bezemwagen fungeerde om deserterende koelies op te vangen. We trokken door hoge alang-alang velden over de heuvels rondom het Sentanimeer richting de verre blauwe beboste bergen die voor ons lagen. De hitte was enorm, het was inmiddels middag geworden en er was geen beschutting tegen de zon die onbarmhartig op ons brandde. Bovendien was het tussen de hoge grasstengels windstil zodat er ook van die kant geen verkoeling kwam. Na een tijd hoorden we luid geroep van achter dat aangaf dat er problemen waren gerezen. Verstoord gaf de sergeant opdracht halt te houden en begaf zich nijdig naar achteren.
Het bleek dat twee koelies waren bezweken door de hitte. Ze waren flauwgevallen en konden niet verder. De sergeant was woedend op de mandoer dat er nu al uitvallers waren en beval de mannen in de schaduw te leggen en water te geven. Dankbaar zegen alle koelies op de grond en namen hun last af. Ze zagen er nu al uitgewoond uit, hevig zwetend en doorgeschuurde bloedende schouders door de touwen. Nadat we een kwartiertje hadden gerust, gaf de sergeant het sein om verder te gaan. De mandoer liep nerveus rond de koelies om ze te bewegen op te staan en hun last op de schouders te nemen, hetgeen na veel moeite lukte. Zo ploeterden we door. Heuvel op, heuvel af door de alang-alang in de brandende zon die loodrecht boven ons stond en waardoor er nergens schaduw was. Ver beneden ons zagen we het glinsteren van het Sentanimeer en alleen al de gedachte aan al dat heerlijke koele water waar we niet bij konden komen maakte de stemming er niet beter op. Iedereen was blij toen we eindelijk de zoom van het oerwoud bereikten en voor de felle zon konden schuilen.
Het bracht niet de verlichting waarop we allemaal zo hoopten. Al na een kwartier lopen langs een smal pad door het bos zonken we enkeldiep in de modder en drong de zware verstikkende lucht van verrotting in onze neuzen door. Het was er schemerdonker zodat je weinig zag, en je daardoor schaafde aan doornige lianen en voortdurend struikelde over boomwortels. De luchtvochtigheid was bijna honderd procent en zo hoog dat je kleren in een oogwenk helemaal doorweekt waren. Ik kreeg het benauwd, kreeg hoofdpijn en hapte naar lucht in die verstikkende atmosfeer. Gelukkig gaf de sergeant die zelf natuurlijk ook aan het eind van zijn Latijn was, na een poosje het sein tot stoppen en konden we wat eten en drinken. 
Water werd gehaald uit een kleine kali die we vlakbij hoorde stromen, en er moest een vuur worden aangemaakt om de rijst en thee voor ons allen te koken. Daarvoor was de mandoer de aangewezen man. Het zwarte mannetje gaf opdracht aan de koelies hout te verzamelen, en legde dit naast zich neer. Ik stond geïnteresseerd toe te kijken hoe hij het er van afbracht. Het hout was kletsnat zoals alles in dit bos, ik had er geen vertrouwen in. Maar het wonder geschiedde. Hoe hij het deed, weet ik niet maar even later brandde het vuur, grote blauwe rookwolken verspreidend die langzaam naar boven stegen door het dichte gebladerte. De ketel met water werd er boven gehangen en zodra het water kookte werd de rijst gekookt. Bij de rijst werd ook een handvol thee gegooid.
De rust was weldadig. Even rustig zitten was er wel is waar niet bij, want door de modder die enkeldiep was, kon je nergens zitten. De enkele omgevallen boomstam die er was, bleek verrot, en vergeven van ongedierte zodat we wel moesten blijven staan, maar toch... Even een strootje roken, even ontspannen kletsen met je maten en je spieren even rust gunnen. Maar na een half uurtje riep de sergeant al weer de bekende kreet van het korps;
-Omhangen en volgen!
Na de gebruikelijke strubbelingen waren ook de koelies reisvaardig en vertrokken we weer in de richting die de gids vooraan de stoet insloeg. Het pad werd steiler en steiler, tot we uiteindelijk aan een helling kwamen die zo steil was dat gewoon beklimmen niet mogelijk was. De gids stond even besluiteloos te overleggen met de politieman en sloeg toen, al hakkend met zijn parang de richting in naar links. Dat bleek het goede pad te zijn, want alhoewel het steeds naar boven ging, bleef het pad al dan niet met moeite, begaanbaar. De meesten van ons, waaronder ik, waren het stadium van geïnteresseerd rondkijken al lang gepasseerd, en liepen met het verstand op nul, als automaten door. Het monotoon uit de zuigende modder trekken van je ene voet en het even verderop weer in de modder laten ploffen maakte je zo moe dat je alle besef van tijd en ruimte verloor.
-Halt! riep de sergeant na een paar uur, en zo moe was ik dat ik van uitputting tegen mijn voorganger aanbotste toen die stilhield.
We mochten twee slokken water drinken (waterdiscipline) en staken een strootje op. Het was inmiddels gaan regenen, alhoewel dat niet met zekerheid te zeggen was omdat je de hemel niet kon zien door het dichte bladerdak. Misschien was het al eerder gaan regenen en lekte de regen nu pas met grote druppels door de bomen. Ik draaide een strootje onder de klep van mijn pet en wist het spul op die manier droog te houden. Shag was in die tijd nog verpakt in papieren baaltjes. Plastic zakjes waren nog niet uitgevonden, zodat ik mijn shag in een blikken doosje bewaarde.
-Bloedzuigers! riep de sergeant opeens, kijk bij elkaar en verwijder ze met de punt van je sigaret! Ik keek eens om me heen. Een stukje verder stond een koelie, op zijn blote rug hingen tientallen rood/zwarte bloedzuigers ter grootte en dikte van een potlood. Een andere koelie drukte met de punt van zijn sigaret op de bloedzuiger die zich samentrok en op de grond liet vallen. Daarop werd de bloedzuiger met de parang doormidden gehakt en werd het werk voortgezet. Ik trok het dungareejasje van Kees Plug omhoog en zag tot mijn ontzetting drie van die grote beesten op zijn rug bungelen. Een was tussen de rugzak en zijn rug verpletterd tijdens het lopen en had een breed bloedspoor achtergelaten. Snel drukte ik mijn strootje tegen de andere twee griezels en verpletterde ze in de modder toen ze neergevallen waren. Daarop draaide ik me om en mijn maat haalde bij mij ook een paar bloedzuigers van mijn rug. Ik had niets gevoeld, ze doen hun werk volkomen geruisloos en gevoelloos.
Wat scherper om me heen kijkend zag ik ze als spanrupsen van overal naderen. Heel klein en dun, nog geen twee millimeter dun en dertig mm lang en roodbruin van kleur. Het spande zich eerst als een boog, trok dan het achterlijf naar het voorlijf, spande zich weer, enzovoort. Omdat ik naar beneden keek zag ik ook dat er door de vetergaten van mijn schoenen en leggings bloed sijpelde. Ik maakte de legging los, trok mijn schoen en sok uit, en zag dat zich rond mijn enkels tientallen bloedzuigers bevonden. De meesten waren na ze zich hadden volgezogen, als ballonnen geknapt door mijn loopbewegingen en hadden mijn sokken doorweekt met mijn bloed.
-Gadverdámme ! vloekte ik vol afschuw. Ik verwijderde de griezels, trok mijn sokken, schoenen en leggings weer aan en begon aan de andere voet. Daar was de situatie hetzelfde. Rondom me kijkend zag ik iedereen mijn voorbeeld volgen, alleen de koelies zaten gehurkt stoïcijns voor zich uit kijkend aan hun strootje te trekken, en schenen zich er niets van aan te trekken.
We vervolgden onze tocht en kwamen na een dik uur aan in een redelijk grote kampong waar zich, o hemelse vreugde, een passangrahan bevond. Dit is een vloer gemaakt van gespleten bamboe op ongeveer anderhalve meter van de grond, met een atap dak erboven. Op de vloer kun je je potje koken en slapen. Voor de meesten van ons was het een feest dat we geen baleh-baleh hoefden te bouwen. De passangrahan stond op een open plek midden in het dorp met de vlaggenmast waarin door de kepala-kampong haastig de vlag werd gehesen. Toch een stukje tropisch Holland nietwaar? Om het pleintje stonden enige hutten met bamboe wanden op palen. De daken waren van atap. (palmbladeren) Eronder scharrelden varkens en kippen. Er was ook een schooltje waar de dorpskinderen eenvoudig onderwijs kregen van een Indische goeroe (onderwijzer). Een groepje mannen zaten op hun hurken in de schaduw van een grote boom te roken en sirih te pruimen. Het zijn een soort noten die ze fijn kauwen en met kalk vermengen in hun mond. Af en toe spuwen ze een rode straal speeksel op de grond. Hun tanden en tandvlees zijn roodgekleurd, het is een vreemd gezicht. Ze leken niet geïmponeerd door onze verschijning, noch leken ze nieuwsgierig.
Het werk wordt bijna uitsluitend door de vrouwen gedaan, zij verbouwen wat groente en fruit en baren de kinderen, terwijl de heren der schepping zich bezig houden met roken, jagen en veel kletsen. In sommige hutten brandde een vuurtje met als doel de muskieten te verdrijven. De kwalijke bijwerking was dat de meeste vrouwen en kleine kinderen oogziekten hadden van de rook. Soms lieten zich na een tijdje vrouwen zien die zich schichtig tussen de huizen voortbewogen. Ze droegen rieten rokjes tot het middel, met blote borsten. Ook kinderen doken tussen op tussen de palen waarop de huizen stonden en keken nieuwsgierig toe. Ik probeerde ze te lokken met snoepjes maar aangezien ze geen snoepjes kenden, bleef het resultaat uit. Ze waren naakt met bolle buikjes, sommigen hadden ernstige huidafwijkingen waarbij de huid voornamelijk op de armen en benen een soort grijze schubben vormt.
Broodmagere kamponghonden renden zenuwachtig blaffend in het rond. Als ze in de buurt van de mensen kwamen kregen ze een mep met de platte kant van de parang. Ze renden piepend van pijn met de staart tussen de benen tussen de huizen weg. Het rook net als in elke kampong naar houtvuurtjes waar de vrouwen de sago op koken. Dit was een welvarende kampong, getuige de kippen en varkens. Na enig onderhandelen klom er een jonge man in een klapperboom en hakte een paar kelapa moeda (jonge kokosnoten) los die met een doffe klap op de grond ploften. Nadat de kap er af was gehakt met de vlijmscherpe parang van de mandoer dronken we om beurten van de koele tintelende klappermelk. Als ze leeg waren hakte de mannen ze in stukken en wierpen dit voor de dieren op de grond. Het eerst waren de kippen erbij, maar die werden alras verjaagd door de honden die met snappende kaken naar ze hapten. Daarna braken er tussen de honden onderling felle gevechten uit om de beste stukken. Niemand greep in, het was niet belangrijk, waarschijnlijk gebeurde dit elke dag. De honden werden nooit gevoerd en moesten hun eigen kostje maar opscharrelen net als alle andere huisdieren. Het was een kabaal waar je horendol van werd. We gingen weg om ons te mandiën in de kali die langs de kampong stroomde. Die was niet diep, kristalhelder water stroomde over de kiezelachtige bodem richting laagland. We waren al behoorlijk in hoogte gestegen en het was al te merken aan de temperatuur die al iets koeler was dan beneden. We liepen eerst een behoorlijk eindje stroomopwaarts om onszelf te wassen, omdat de kampongbewoners ook wassen en poepen in het water. Beter is het dan om stroomopwaarts te gaan om besmetting te voorkomen.
Terug bij de passangrahan stond de pot met rijst al weer te stomen, en even later herhaalde het vaste tafereel van het eten uitdelen zich weer. Eerst de politie en wij, dan de koelies. De sergeant hakte met zijn parang pakjes zware shag van de Weduwe doormidden en deelde het uit aan de koelies. Sommigen staken meteen een pluk in hun mond en begonnen verwoed te pruimen. Tot mijn verrassing kregen we dit keer een paar sardines uit blik bij de rijst. Eén blikje per twee man.
De volgende morgen waren we voor het krieken van de dag al op. De pot met rijst stond al weer te stomen en als ontbijt kregen we weer rijst in thee gekookt.
Nadat we omgehangen hadden en de koelies zacht klagend en mompelend hun zware lasten weer op zich genomen hadden, trokken we het oerwoud in. We werden nagestaard door dezelfde stoïcijnse dorpsfiguren van gisteren die hun plaats onder de grote boom niet verlaten schenen te hebben. Het had opgehouden met regenen, maar eenmaal in het oerwoud lekte alle regen van de afgelopen nacht uit de bomen. Het oerwoud was veranderd, enorme bomen met plankwortels van wel 3 meter hoog en helemaal begroeid met lianen stonden dicht opeen, zodat we er kriskras door moesten slalommen recht de helling op. We stegen nog steeds en voortgaan werd steeds moeilijker. Klimmend op handen en voeten in de taaie modder en soms weer terugglijdend, worstelden we ons naar boven. Dat ging uren zo door, en het werd zo koud dat we bij een rustpauze onze truien uit onze pack haalden en aantrokken. Met verkleumde handen haalden we de bloedzuigers bij elkaar weg, en bij onze enkels. Vreemd dat die dingen door de vetergaten van je schoenen en de naden tussen de leggings naar binnen drongen. De koelies stonden dicht opeen te bibberen van de kou, voor hen geen wollen truien en poncho,s. De koude regen striemde hun ondervoede bruine lijven en maakte ze slap en krachteloos, zodat we langer bleven staan dan de bedoeling was. De mandoer deed van alles om de trein weer in beweging te krijgen maar de fut was eruit. Hij raakte zo buiten zinnen dat hij aan de koelies begon te trekken en te duwen, zelfs te schoppen, maar ze konden of wilden niet verder. Een Papoea politieman deed zinniger dingen, hij pakte van een van de koelies die er het ergst aan toe was, bij zijn hand en begon die verwoed te masseren. Vreemd genoeg, knapte de man zienderogen op, en het voorbeeld vond navolging. Weldra stonden wel 20 koelies bij elkaar de handen te masseren, hetgeen een maat deed opmerken;
-Het lijkt wel een Nieuwjaars receptie!
Even later gingen we weer op pad en trokken verder naar boven. Naarmate we verder gingen en de top van de tjot (top van de berg) bereikten veranderde het bos steeds meer. Het werd dunner, de bomen waren kleiner, afgewisseld met reusachtige boomvarens. Er was meer ruimte, zodat hakken met de parang niet meer nodig was om ons doorgang te verschaffen. De bodem was niet langer modderig, maar vaster en bedekt met stenen. Grote plakkaten groen/bruin mos hingen druipend van de regen als vlaggen van de bomen. De hemel was bewolkt en wolken grijze koude mist joegen over het plateau dat we hadden bereikt. Vóór ons zagen we de ene rij groene bergruggen na de andere, als golven op een zee. Ik was geïmponeerd. Hoe groot was dit oerwoud wel niet! Dit was de echte wildernis waar we in trokken. En plotseling werd ik besprongen door een gevoel van angst. Nog drie weken verder lopen van de beschaving. Wat gebeurde er met je als je dan je been brak, of een blindedarm ontsteking kreeg? Het was onmogelijk om iemand op een brancard door dat oerwoud drie weken mee te sjouwen. Helikopters waren er niet in Nieuw-Guinea, en vliegtuigen kunnen niet landen in het oerwoud. Het betekende de dood of als je geluk had, een lange lijdensweg tot je weer in de geciviliseerde wereld was. Ineens was de lokroep van het avontuur in me even verstomd, en zag ik in een flits de gevaren die zo'n lange patrouille met zich mee bracht.
Na een uurtje lopen waren we aan het eind van de hoogvlakte beland en begon de afdaling naar het dal wat voor ons lag, maar wat we door de dichte bomen niet konden zien. Dieren zagen we niet, die waren door het lawaai wat we maakten alle kanten op gevlucht. Alleen kaketoes begeleidden ons soms een eind. We wisten dat de gevaren van het oerwoud niet de grote dieren zoals krokodillen of slangen zijn, maar de kleine, zoals muskieten, wespen, spinnen, schorpioenen en meer van dat fraais. En die waren er volop. Wespen waren het ergst. Er was een soort die de angel als een soort haak, liggend op hun rug hadden. Als ze wild snerpend op je neer streken sloegen ze de haak naar voren, diep in je huid. Soms kwamen ze met hele zwermen en vooral de koelies die bijna naakt waren hadden er erg van te lijden. Als je gestoken werd brandde het als de hel, en de volgende dag had je een bult ter grootte van een kastanje die een paar dagen lang vreselijk jeukte. Miljoenenpoten, donkerbruin van kleur en wel vijf en twintig centimeter lang kropen over het pad. Volgens de sergeant waren ze giftig, zoals bijna alles in dat land.
Ook slangen zagen we veel. Het waren bijna alle pythons van diverse soorten en maten, alleen de kop stak boven de modder uit zodat ze moeilijk te zien waren in het schemerdonker van het oerwoud. We waarschuwden elkaar door te roepen;
Zo kwam de tijd dat er een kamp moest worden opgezet. We waren al weer flink gedaald, zodat het niet meer zo ijzig koud was, ook het weer was verbeterd, het regende niet meer. We hoorden de kali maar konden er niet bij komen, omdat hij door een diepe kloof stroomde. De kloof lag zeker veertig meter benden ons en de wanden waren zo steil dat aan afdalen niet te denken viel. Maar om een kamp op te slaan, heb je water nodig. We liepen we een lange tijd evenwijdig met de kloof, terwijl we het water beneden ons onbereikbaar zagen stromen. De koelies raakten uitgeput, sommigen strompelden meer dan ze liepen onder hun zware lasten en het werd hoog tijd dat we een onderkomen voor de nacht vonden, en het allerbelangrijkste; eten. Ook wij raakten aan het eind van ons uithoudingsvermogen. Met het hoofd naar beneden sjokten we door de zuigende modder en voelden ons diep ellendig. Maar stoppen kon pas als we bij dat verdomde water konden komen. Water om te drinken, thee te zetten, je veldflessen te vullen, rijst te koken en jezelf enigszins te wassen. De sergeant liep voorop vlak achter de gids, daarachter de Papoea politieman, alle drie gespitst om een pad te vinden die ons naar een kali zou brengen.
Maar dat bleek een vrome wens, het ruisen van de kali leek wel van verder af te komen naarmate we verder liepen, het was om dol van te worden. Voor de koelies maakte het niets uit, die zouden bij het vallen van de duisternis een vuur maken. Dan zich knagend op een hand ongekookte rijst gehurkt tegen de stam van een boom laten zakken, met een groot blad van een palmboom ter beschutting tegen de regen, en slapen. De situatie werd nijpend, de kali was niet meer te horen en over een half uur zou het donker zijn, zonder noemenswaardige schemering zoals in Nederland. Waar was de kali? Die vraag hield iedereen bezig. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Ineens kwamen we op een min of meer open plek in het oerwoud waar restanten van Papoea woningen stonden. Aan de rand er van stroomde een kalme kali. Het was een verlaten kampong, later zouden we er wel meer tegenkomen. 
Naarmate een huis langer bewoond werd, kregen de bewoners steeds meer last van ongedierte zoals ratten, mieren, termieten, wandluizen e.d. Dit kon zo ergerlijk worden dat men de huizen achterliet voor wat ze waren en ergens anders een nieuwe kampong stichtte. Daarom was het vinden van bewoonde kampongs een bijna hopeloze zaak omdat ze van het ene moment op het andere verlaten konden zijn. Hoe het ook zij, wij waren er blij mee en gingen meteen aan de slag om een baleh-baleh te bouwen voor het te donker werd. De koelies legden hun zware lasten met een zucht van verlichting neer, en maakten binnen no-time een groot vuur aan. Anderen haalden water bij de kali en zodra het kookte werd de rijst opgezet. Ik werd al handiger bij het maken van mijn baleh-baleh. Waar ik eerst zeldzame stokken zocht met een gaffelvorm, had ik nu ontdekt dat ik ook gewone rechte stokken kon gebruiken en die met een paalsteek vastzetten. Ook maakte ik in het midden van mijn baleh-baleh een extra steun waardoor hij steviger stond. Ik deelde mijn baleh-baleh met Kees als vaste slapie en doordat we goed samenwerkten schoten we flink op zodat binnen een kwartier we de zaak voor elkaar hadden.
Trots stond ik het resultaat te bekijken en wilde me met een zucht van verlichting op mijn legerstee laten zakken toen ik opzij werd getrokken door een koelie met een vlijmscherpe parang. Ik stond stijf van schrik en zag mezelf al half doormidden gehakt. Was er een opstand door de gebeurtenis van eerder die dag? Het tekende de nogal gespannen verhouding die er bestond tussen de koelies en ons. Ik wrong me los en sprong opzij, de koelie sloeg zijn parang naar beneden en hakte een enorme bruine schorpioen die op mijn slaapzeil liep in twee stukken. Als ik was gaan zitten zoals ik van plan was, was ik bovenop het beest terechtgekomen. Wat er dan was gebeurt was niet moeilijk te raden, ik had een heel erg zere kont gehad. Griezelend keek ik naar de staart van de schorpioen met de giftige angel. Wat een joekel! Ik had natuurlijk in de tijd dat ik in Nieuw-Guinea was, wel meer schorpioenen gezien, als je in de wapenkamer of de munitiebunker een kist verschoof renden er tientallen van die beesten alle kanten op, maar die waren niet zo groot als deze. Ik bedankte de koelie die trots stond te grijnzen en wilde hem een pakje sigaretten geven, maar dat wees hij af. Waar een eenvoudig man groot in kan zijn.
Inmiddels was het donker geworden, en bij het licht van het kampvuur aten we onze hap rijst met sardines. Ik rammelde van de honger door de lange dagmars en knapte helemaal op door het eten. Daarna had ik de wacht. Dat was gunstig zo vroeg op de avond, je liep wat rond de buitenkant van het kamp, keek naar de bezigheden die daar plaats vonden en voor je het wist waren de twee uur om. Daarna kroop ik in mijn baleh-baleh en viel als een blok in slaap. Toen ik 's morgens gewekt werd door de luide stem van de sergeant had ik het gevoel dat ik pas was gaan liggen. Toch was ik wel uitgerust, en toen ik mijn natte kleren weer had aangetrokken en mijn schoenen goed uitgeschud en nagekeken had op ongedierte, braken we de baleh-baleh af, en pakten onze spullen in. Het was erg belangrijk om één stel droge kleren te hebben om in te slapen, als het eenmaal nat was kreeg je het nooit meer droog. Het was wel vervelend om 's morgens je natte kleren aan te trekken, speciaal omdat ze vaak onder het ongedierte zaten die er op af kwamen, zoals grote harige spinnen. Vooral als je 's nachts de wacht had, was het een ramp. Eerst je droge kleren uittrekken en op je baleh-baleh leggen. Daarna zorgvuldig je natte kleren in het donker uitschudden en nakijken op ongedierte. Dan je kleren aantrekken, je schoenen uitkloppen, nakijken en aantrekken en de klamboe goed sluiten. Dan was je pas klaar om de wacht over te nemen. Na je wacht, de omgekeerde volgorde.
Daarna schaarden we ons rondom de rijstpot voor thee met rooie rijst. Men had zowaar een paar pisangbomen ontdekt aan de rand van de verlaten kampong zodat we allemaal een halve pisang kregen. Ook ontdekten we enige kasbih knollen die we uitgroeven. Het zijn houtige lange wortels die geroosterd boven het kampvuur wat aan gekookte aardappels doen denken. Bij een kijkje in de hutten ontdekte ik achtergelaten kookgerij en een paar pijlen en een boog. Ik kon jammer genoeg niets meenemen, ik had al meer dan genoeg te dragen. Daarna zette de stoet zich weer in beweging, het was altijd een omslachtig gebeuren eer de koelies hun lasten hadden omgehangen en klaar waren voor vertrek. De mandoer liep nerveus rond de koelies, hier wat aantrekkend, daar wat verschuivend. Net als een voerman bij een hoog opgeladen hooiwagen. Dan zette de patrouille zich hortend en stotend in beweging. Die dag zouden we bij een kampong aankomen waar we een nieuwe gids zouden krijgen die ons verder moest loodsen. De dag verliep bijna net als de vorige, weer steil omhoog naar de top van de tjot, en vervolgens weer een lange afdaling tot aan het dal waar de kampong en de kali waren. Het was een straatarme kampong. Geen varkens, geen kippen, zelfs bijna geen honden. Dit keer ook geen passangrahan, dus moesten we zelf onze baleh-baleh bouwen waarbij we veel bekijks hadden van de plaatselijke jeugd die eerst schuw vanaf een afstandje stonden toe te kijken, maar allengs vrijer werden. Ook stonden de huizen van deze kampong niet op palen, maar stonden op de grond. Het waren primitieve slordige bouwsels.
Het eerste snoepje werd uitgedeeld, het is altijd prachtig als je een kind gadeslaat die voor het eerst van zijn of haar leven een snoepje proeft. Eerst wat onwennig kauwend, maar al snel genietend zuigen met grote rollende bruine ogen en verlegen blikken. Toen het ijs gebroken was, begon het uitdagen. Ik deed net of ik ze wilde pakken, gillend renden ze weg en verscholen zich met glimmende ogen tussen de hutten van de kampong. Langzaam kwamen ze giechelend weer dichterbij, de waaghalzen vooraan, de anderen daarachter. Weer een uitval, weer wegvluchten en het spelletje begon weer overnieuw. Toch had ik ze op een gegeven moment zover dat ze rustig bij me zaten en alles bekeken en betasten. Alles was nieuw voor ze. Mijn uitrusting, karabijn, veldflessen en rugzak. Maar de meeste interesse hadden ze toch in onszelf. Onze reuzengestalten (volwassen papoea,s uit het binnenland zijn niet groter dan anderhalve meter), onze witte huid, en dingen als schoenen en kleren waren een voortdurende bron van verbazing en veroorzaakte opgewonden gepraat en gelach. 
De volgende morgen regende het zo hard dat je door het watergordijn dat neerviel, niet verder dan tien meter ver kon kijken. Het dorpsplein veranderde in een meer waar de mensen moeizaam doorheen baggerden. Ik bleef net zo lang liggen tot ik de sergeant hoorde roepen op te staan en kwam toen onwillig overeind. Wat nu? Zodra je je hoofd vanonder het tentzeil uitstak, was je meteen doorweekt. Het brullen van de sergeant werd luider en ongeduldiger, dus haast was geboden. Liggend op mijn slaapzeil trok ik mijn kleren uit, legde ze neer en ging naakt naar buiten in de regen om mijn kleren aan te trekken die aan een boomtak hingen. Ai, dat was fris! Ik wrong de kleren zoveel mogelijk uit en kleedde me aan. Gelukkig stonden mijn schoenen omgekeerd op stokjes bij het kampvuur(dat uitgeregend was) dus de regen was er niet ingelopen. Daarna sloopten Kees en ik heel voorzichtig en weloverwogen de baleh-baleh, ervoor zorgend dat we het tentzeil als laatste weghaalden. Het viel mee, en ik was trots op mezelf dat alles min of meer droog in mijn pack gestouwd was. Alleen het tentzeil was natuurlijk kletsnat, maar dat vormde de buitenste "schil" van de rol die hoefijzervormig om mijn pack gebonden was. In die rol zaten verder de klamboe, slaapzeil en de poncho.
Ga door in: Verder in Hollandia
Naar boven
Copyright © E.Schurink.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Verder in Hollandia
Minder prettig was dat het vuur was uitgegaan, men had in een van de hutten rijst en thee gemaakt zodat we niet met een lege maag op weg hoefden. De gelukkige Papoea's die hun hut ter beschikking hadden gesteld kregen als beloning een handje thee en een flinke schep rijst. Waarschijnlijk hadden ze zulk luxevoedsel nog nooit geproefd, want zelf leefden ze op sago. De meesten hadden een eiwit tekort door dat eenzijdige voedsel, en dat verklaarde de slechte conditie waarin de bewoners, speciaal de kinderen, van de kampong verkeerden. Het regende niet meer zo hard, het oerwoud droop van de regen. Toen we een eind op weg waren en in de buurt van een volgende kampong kwamen, ontmoeten we toevallig een aantal vrouwen die aan het sago maken waren. Ze droegen alleen een schortje van een soort boombast als schaambedekking en vluchtten haastig weg zodra we naderen.
Eerst wordt de palm gekapt, dat is mannenwerk, maar alleen als ze er zin in hebben, anders moeten de vrouwen het noodgedwongen doen. Daarna wordt de zachte stam van de palmboom gespleten en de eetbare kern er met een soort dissel uitgehakt. Vervolgens wordt de uitgehakte sago gewassen en fijn gestampt. Als wastrog doet de uitgeholde helft van de stam dienst. Dan wordt het gefilterd, het water loopt eruit, de sago blijft achter. Sago zit eruit als een wit korrelig poeder en bestaat uit zetmeel. In kokend water geroerd stijft het in een ogenblik op tot een glazige en dikke koek zonder noemenswaardige smaak, die zo of geroosterd op een vuurtje gegeten wordt. Om aan eiwitten te komen worden de palmen omgehakt en gespleten. Daarna laat men ze net zolang liggen, totdat een soort houtkever eitjes in de stam legt. Na een tijdje worden dit dikke witte larven die aan de sago in de stam knagen. Die haalt men er uit en eet ze rauw. Ze bevatten veel eiwitten, en dat is voor deze mensen bijna de enige bron, want er zit relatief weinig eetbaar wild in het bos. Aan de zuidelijke kant komen varkens, kasuarissen, herten en boomkangoeroes sporadisch voor, maar in noord Nieuw-Guinea waar wij waren, veel minder.
De zesde dag zetten we ons kamp op aan de oever van een brede, woeste kali die met donderend geraas over grote rotsblokken raasde. De afgelopen dagen hadden we flinke dagmarsen afgelegd, tjot op en tjot af. Baggerend door de modder en geteisterd door bloedzuigers en vliegen. Ik had rode huiduitslag. Ringworm, constateerde de ziekenpa die er jodium opsmeerde. Het brandde geweldig en mijn huid verbrande en ontvelde, maar de ringworm bleef niet alleen, maar werd erger. Het jeukte verschrikkelijk. Onze voeten waren wit en rimpelig en overdekt met schimmel. Loopgraafvoeten, lemkakken noemde we die. Mijn enkels waren overdekt met wondjes door de bloedzuigers waar korstjes op zaten. Die waren weer opengemaakt door andere bloedzuigers en waren gaan zweren. Door het voortdurend zweten en de vochtige atmosfeer was ik mijn mooie bruine kleur kwijt geraakt, en was weer wit geworden als een echte totok. Nou ja, wit. Ik was meer grijs, want met uitzondering van een wasbeurt in de kali wanneer dat mogelijk was, had ik me niet met zeep gewassen. Sommige jongens hadden rode puisten onder hun oksels en in hun liezen van het zweten. Apepokken werden die genoemd, ze deden veel pijn. Het vreemde was dat ik al enige dagen geen ontlasting had gehad. Toen er uiteindelijk iets kwam, waren het een paar gitzwarte keuteltjes. Je lichaam had alle voedsel die je binnenkreeg hard nodig en verteerde bijna alles zo scheen het.
We zouden hier een dag blijven om onze uitrusting en wapens, maar ook onszelf te verzorgen en weer op krachten te komen na de geforceerde dagtochten op rooie rijst. De koelies waren er nog slechter aan toe, en reageerden op de rustdag door een twee onderkomens te bouwen waar ze konden slapen. In minder dan een uur hadden ze onderkomens gebouwd en zaten op hun hurken te roken en te praten. Inmiddels brandde het vuur en kregen we rijst met sardines en thee. Ik ging met een paar jongens nog even naar de kali om ons te wassen, maar hij stroomde zo snel dat het te gevaarlijk was om te zwemmen. 
Die nacht had ik de wacht van middernacht tot twee uur. Toen ik werd gepord was het gelukkig droog en ik kleedde me snel om in mijn vieze en naar modder stinkende kleren. Morgen zou ik ze gaan wassen, dat was zeker. Ik had al een plan bedacht om ze aan een touw te binden en ze gewoon een tijdje in het stromende water te laten spoelen. Dat had ik gezien aan boord van de Piet Hein waar matrozen dit ook zo deden. De hemel was zo helder dat je bij het schijnsel van de sterren kon zien. Achter me de zwarte muur van het oerwoud, vóór me de lichtende streep die de rivier was, en daarachter weer een zwarte muur oerwoud. Ik was zodra ik buiten kwam een smakelijk doelwit voor een wolk muskieten die olie of niet, zich nergens iets van aan trokken en zelfs mijn oren kropen zodat je er hoorndol van werd. Ze schrokken alleen terug voor de rook van het kampvuur en ik begreep nu waarom het in de hutten van de Papoea's altijd blauw van de rook zag. Er waren slechts twee keuzes te maken in het leven, wat heb je liever; longemfyseem of malaria. Of alle twee tegelijk. Wat een land! Zo stond ik wat somber te overdenken terwijl ik nog wat hout op het vuur gooide.
Een ogenblik stond ik te kijken naar vuurvliegjes die als je niet beter wist, l eken op lichtende ogen die je bekeken vanuit het oerwoud. Het plotseling geritsel in het bos, vlakbij, of het klapwiekend overvliegen van een vogel. Geluiden waarvan je in het begin schrok, maar waaraan je nu langzamerhand gewend was geraakt. De ultieme wildernis. Aan de andere kant was de natuur, woest als het mocht zijn, van een schoonheid die je soms versteld deed staan. De enorme bomen met plankwortels van soms wel vier meter hoog, zijn zo majestueus en hoog dat ze elke Europese boom in de schaduw stellen. Of klapperbomen die je langs een spierwit koraal strand ziet staan met hun wuivende kronen. Een kali die vriendelijk kletterend met kristalhelder water door het oerwoud stroomt en na een tropische stortbui verandert in een bandjir, een woeste bruine maalstroom die alles verzwelgt wat er op zijn pad komt.
De rustdag werd goed benut. Ik bond mijn kleren aan een touw en plonsde ze de kali in. Een uurtje haalde ik het spul weer op, en hing het in de zon te drogen. Verder werd de dag benut voor het schoonmaken en oliën van mijn karabijn, en onderhoud van de uitrusting. Bij het avondeten was er zowaar een verrassing in de vorm van een blikje corned beef per twee man. Weer eens iets anders dan sardines. Groenten of fruit kregen we helemaal niet, dus gingen we met een paar man op zoek naar iets eetbaars maar de planten die we vonden leken in niets op wat we kenden. Lekker zitten rusten was onmogelijk omdat we overdekt waren met zwermen dikke zwarte vliegen die alleen ontzag hadden voor de rook van het kampvuur. Om de beurt gingen we in de rook schuilen totdat je er hoestend en snakkend naar adem uit vloog. Meteen werd je weer besprongen door de vliegen. Ze kropen kriebelend in je ogen en je oren en maakte dat je nergens rust had. De ziekenpa had druk werk met iedereen te behandelen voor de diverse kwaaltjes waar we aan leden, en de tik (verbindingsman) was druk bezig met morseseinen een bericht naar Hollandia te sturen. De luchtvochtigheid was zo groot in het oerwoud, dat toen ik mijn gewassen kleren bij het vallen van de duisternis van de lijn haalde, ze nog kletsnat waren. Ze dropen niet meer, maar dat was dan ook alles, zodat ik de volgende morgen de kletsnatte zooi weer moest aantrekken. Maar ze waren wel weer redelijk schoon!
Het oversteken van de kali nam veel tijd in beslag. Er werden een paar hoge bomen die op een geschikte plaats aan de oever stonden. In het midden van de kali was een soort eiland van grote rotsblokken. De bomen hakten we om, we lieten ze zo vallen dat er een brug ontstond naar het eiland in het midden van de stroom. Nadat er enige maten waren over geklommen en op het eiland stonden, zwom er een aan een touw door de snelle stroming naar de overkant. Het was een gevaarvolle tocht, maar hij maakte het behouden naar de overkant. Daarna werden er nog enkelen naar de overkant getrokken door de eerste man die op de andere oever stond. Vervolgens hakten ze een aantal bomen om, die van de andere kant op het eiland stonden. De eerste keer mislukte de zaak jammerlijk, want de boom kwam in de kali terecht en werd meegesleurd. De tweede viel half op het eiland, maar de derde viel goed, en nu kon het hele gezelschap naar de overkant klauteren. Schrijlings op de boom gezeten schoof ik voorzichtig naar de overkant, maar de koelies met hun zware last liepen al balancerend op hun blote voeten met een vaartje over de boom tot ze aan de overkant waren. Eens te meer bleek dat de menselijke voet beter geschikt is op dat terrein dan onze zware veldschoenen.
Na eindeloze omwegen bereikten we uiteindelijk na twee weken lopen de kampong waar het allemaal om ging. Op de dag voor we de kampong vonden hing er spanning in de lucht. Wat het was konden we niet gewaar worden, de beide Papoea politiemannen waren nerveus en hadden niet zoals gewoonlijk hun geweer ontspannen voor hun borst hangen, maar hielden ze in de hand. De koelies waren stil en dromden vlak achter elkaar, ook hoorden we eenmaal geluid van menselijke stemmen, en hadden we het gevoel niet de enigen te zijn in het oerwoud.
De volgende dag vonden we de kampong. Geen hond blafte, geen mens liet zich zien hoewel je aan allerlei sporen kon zien dat de mensen het dorp waren ontvlucht. Een nog smeulend vuur in een hut, verse weggegooide pisangschillen, een paar kippen die men niet had kunnen pakken en meer van dat soort dingen. De sergeant keek om zich heen en nam toen een besluit.
-Kamp opzetten aan rand van de kampong, dubbele wachtposten opzetten en opletten!,zei hij resoluut.
Terwijl we druk bezig waren met het opzetten van het bivak kwamen de eerste mannen uit het oerwoud. Ze bewogen zich omzichtig en waren zwaar bewapend met pijl en boog en schilden die ze in hun hand droegen. Dit waren heel andere Papoea's die ik tot dusver gezien had. Dat waren vriendelijke mensen, van wie geen enkele dreiging uitging. Dit waren krijgers die niet met zich lieten sollen, daar kon geen twijfel over bestaan. Met hun fel beschilderde gezichten, hoofdband met koeskoesbont, en agressieve manier van doen deden ze ons naar de wapens grijpen, terwijl de koelies zich fluisterend achter ons verborgen. De sergeant fluisterde even met de korporaal en stapte onbevangen op de krijgers af.
-In dekking! riep de korporaal gespannen. Vuurdiscipline! Niet schieten voor ik het zeg!
Ook gaf hij twee man bevel onze achterkant secuur te dekken tegen een aanval van achteren.
Ik lag plat op mijn buik achter de stam van een boom met mijn karabijn gericht op een krijger met opvallende gele veren getooid. Vreemd, ik was niet bang, ondanks de dreiging. Deze mensen waren niet boos op ons, maar op hun buren. Toch voelde ik me wel gespannen omdat je nooit kon voorspellen wat er ging gebeuren. Maar er kon niet veel mis gaan, onze gezamenlijke vuurkracht was zo groot dat we ze in één gericht salvo hadden kunnen wegvagen. De kepala-kampong, een brede gespierde figuur met een snor en borsthaar aarzelde, maar kwam achterdochtig naar onze sergeant toe.
-Waar zijn de vrouwen en kinderen? vroeg de sergeant via de goeroe (onderwijzer van de dorpsschool) die als tolk fungeerde.
-Het is oorlog, bromde de aanvoerder. Ze hebben zich verstopt voor onze vijanden.
-Haal ze hier! De oorlog is voorbij, antwoordde de sergeant. De Kompenie (hier wordt het gouvernement bedoeld, maar de naam komt nog van de Verenigde Oost-Indische
Compagnie) staat het niet toe, het is verboden. Allen die oorlog voeren worden opgepakt en mee naar Hollandia gevoerd om daar in de gevangenis te worden gegooid.
De aanvoerder schuifelde onzeker met zijn naakte eeltige voeten en was kennelijk met de situatie verlegen. Aan de ene kant wilde hij tegenover zijn krijgers zijn gezicht niet verliezen, aan de andere kant; met de lange arm van de Kompenie viel niet te spotten, dat wist iedereen. Langzaam en met tegenzin draaide hij zich om en gaf een bevel aan de krijgers die achter hem stonden. Een draaide zich om en draafde het bos in om de vrouwen en kinderen te halen.
-Laten we gaan zitten en roken, zei de sergeant en liet zich een aantal pakjes zware shag van de Weduwe aanreiken die hij verdeelde onder de krijgers.
Daarmee was de ergste spanning geweken. Ook wij kregen het bevel door te gaan met de gewone gang van zaken, maar de wapens bij de hand te houden. Terwijl de sergeant in een kring met de krijgers en de goeroe zat te roken en te praten, kon ik een gevoel van bewondering voor hem niet onderdrukken. Hij was zonder een spoortje angst te tonen naar de mannen toegegaan, en had ze op basis van autoriteit zover gekregen dat ze deden wat hij zei. Nu was hij bezig vertrouwen te winnen. Het werd een lang en ernstig gesprek dat de hele avond en een deel van de nacht duurde. Daarna kwamen de grote tifars (drums) te voorschijn en begonnen de mannen rond een hoog oplaaiend vuur aan hun oorlogsdans. Ze hielden elkaar bij de schouders vast, terwijl ze langzaam voorwaarts stampten onder het, met diepe bassen, uitstoten van agressieve kreten op het ritme van het doffe gebonk van de tifars. Er leek geen eind aan te komen. Ik was gefascineerd, het deed me denken aan de verhalen over Livingstone en Stanley op hun zoektochten naar de bronnen van de Nijl. De zwarte zwetende, naakte lichamen van de mannen beschenen door het flakkerend licht van het vuur, de zwaaiende pluimen op hun hoofd, biceps en enkels, en de woeste oorlogsbeschilderingen maakten een diepe indruk op me.
De dans ging de rest van de nacht door, de krijgers bevonden zich in een soort trance en schenen niets meer te merken van de dingen die om hen heen gebeurden. Soms verliet een enkeling slingerend de kring van stampende mannen en viel uitgeput op de grond, om even later weer op te staan en zich weer in de kring te voegen. Sommigen van ons probeerden wat te slapen, maar het eentonige gebonk van de tifars en het monotone gekrijs van de krijgers hield iedereen uit de slaap. Het dansen stopte vrij abrupt bij het krieken van de dag en de mannen begaven zich naar hun hutten om daar in een bewusteloze slaap te vallen. Vrouwen en kinderen waren gedurende de avond ook weer de kampong binnengeslopen, zorgvuldig buiten de lichtschijn van het vuur blijvend. Wij bleven nog wel een paar dagen in de kampong om de problemen verder te onderzoeken. Wel hadden we uit voorzorg dubbele wachtposten uitgezet die de gang van zaken scherp in de gaten hielden. Later in de middag vergaderden de sergeant en de politiemannen met de goeroe en de kepala-kampong over de ontstane situatie.
De oorlog met een naburige kampong was ontstaan door een geschil over het betalen van de bruidsschat van een paar vrouwen. Misschien om inteelt te voorkomen ruilden de kampongs vrouwen met elkaar uit, waarbij flinke bruidsschatten werden betaald, meestal in de vorm van varkens. Omdat de kampong waar wij waren in gebreke was gebleven (volgens de andere kampong) had de tegenpartij enige vrouwen geschaakt en meegenomen. Dat eiste wraak, en daarom was men op een veldtocht naar de nadere kampong geweest en hadden er felle gevechten plaatsgevonden. Er waren doden gevallen en dat maakte de zaak veel gecompliceerder. Het vereiste smartengeld in de vorm van geschenken in de vorm van vrouwen of varkens om de vrede te herstellen. Dit was duidelijk een zaak voor de bestuursambtenaren, en onze tik zat uren achter zijn seintoestel om het bericht door te geven aan Hollandia. De "vijandelijke" kampong lag twee dagen verder lopen. De sergeant ging daar met de helft van ons peloton naar toe om de kwestie te bespreken. Ik bleef waar ik was. Inmiddels heerste er in "onze" kampong een betrekkelijke rust. Na een paar dagen kwamen de anderen weer bij ons terug met het bericht dat er een voorlopige vrede met de andere kampong was gesloten.
Na nog paar dagen maakten wij aanstalten om weer te vertrekken. Er was nu een wapenstilstand tussen de twee kampongs, maar de bestuursambtenaren die na ons zouden komen zouden er nog een taaie klus aan krijgen om ze weer met elkaar te verzoenen. Een week na aankomst vertrokken we weer, terug naar de beschaving. De terugtocht zou via een andere weg gaan in de richting van de kust. Vandaar zouden we met een sleepboot van de Marine worden opgehaald. Ik was blij dat we weer terug gingen. Wel is waar zou het nog een hele tocht worden die minstens een paar weken zou duren, maar het einde was in zicht. Mijn kleren en schoenen waren door het vocht volkomen verrot, een keer toen ik ging zitten scheurde mijn broek bij de knie open als nat krantenpapier. De zool van een van mijn schoenen was losgegaan, daar had ik touwen en pleisters omheen gebonden zodat het op zijn plaats bleef. Zelf zat ik onder de uitslag en insectenbeten, was brandmager en voelde me slap en doodmoe door de ontberingen en het slechte eten. De tocht voerde door bergachtig gebied, waarbij we meerdere keren tot ver boven het tropisch regenwoud stegen. We zagen het oerwoud beneden ons liggen vanaf de hoogvlakte waar kleine taaie heesters groeiden en een soort naaldbomen. 
De temperatuur was niet hoger dan een graad of tien, en gecombineerd met harde wind en een vuile koude regen, maakte het voor ons en de koelies tot een afmattende beproeving. Een paar koelies werden ziek en moesten door anderen worden gedragen. Dat kon gelukkig omdat de lasten voor de koelies steeds lichter werd doordat we geleidelijk alle voedsel opaten. Dank zij de goede zorgen van onze onovertroffen ziekenpa werden ze niet nog zieker. Er was tussen hen en ons een band ontstaan. In het begin ontliepen we elkaar, de cultuurverschillen waren te groot en het bleef bij gebaren en grimassen. Nu liepen we gemengd door elkaar tijdens de tocht, en hielpen elkaar bij het oversteken van kali’s, glibberige beklimmingen en verraderlijke afdalingen. Ook tijdens het eten van de rooie rijst zaten we gebroederlijk door elkaar en praten met elkaar in gebroken Maleis, Nederlands en gebarentaal.
Na een zware tocht kwamen we bij een kampong aan de kust waar we door de sleepboot zouden worden opgehaald. Toen we de camping binnenliepen waaide de Nederlandse vlag van de vlaggenmast. Het was een mooie en schone kampong en ik verheugde me al op het slapen in de passangrahan en misschien morgen in mijn eigen bed in Hollandia. Terwijl we daar zo zaten, drinkend en een strootje rokend, kwamen om de hoek van een paar hutten een rij kleine kinderen aanlopen, geleid door hun goeroe. Elk kind droeg een grote gele djeroek bali (grapefruit met rood vruchtvlees). Daarna kwamen ze naar ons toe en overhandigden ze verlegen aan ons. We waren blij verrast. Na zes weken geen fruit te hebben geproefd, was dit iets om je vingers bij af te likken. We schoten meteen haastig overeind en grepen onze uitrusting bij elkaar. We hadden al afscheid genomen van de koelies die op eigen gelegenheid naar hun kampong terugkeerden. Er was niet genoeg plaats op de sleepboot. Het was voor hen zeker nog een week lopen maar ze hadden mondvoorraad, geld en zware shag meegekregen en trokken verheugd weg, blij dat ze weer naar hun familie konden terugkeren. De sergeant had geregeld dat wij door de dorpsbewoners in vlerkprauwen naar de sleepboot gebracht zouden worden. Deze prauwen zijn zeer geschikt om langs de kust op zee te varen en hadden aan beide zijden een uithouder (vlerk) die gelijk met de waterspiegel lag, waardoor ze minder makkelijk omsloegen. In de prauw stappen was moeilijk. Ze zijn zo smal dat je er niet in kunt zitten, het zijn uitgeholde boomstammen. Ik had de grootste moeite om er in te stappen met mijn grote brede veldschoenen, ook al lag de prauw op de vloedlijn van het strand. Uiteindelijk vond ik een plaatsje door de ene voet voor de ander te plaatsen in de prauw en zelf maar een beetje te hurken terwijl ik me aan de boorden vasthield. Mijn rugzak en karabijn legde ik voor me neer. Ik wilde het zwaartepunt zo laag mogelijk houden om de kans op omslaan te verkleinen want er stond een flinke branding. De beide Papoea's die me naar de sleepboot zouden brengen zetten zich schrap en schoven de prauw het water in, achter een enorme terugrollende golf. Het was dezelfde techniek die wij gebruikten met landingsoefeningen met de rubberboten en die in Sorong eenmaal zo fout was gegaan. Maar dit ging goed, en in minder dan geen tijd peddelden we over huizenhoge golven naar de sleepboot.
Daar aangekomen was het nog niet eenvoudig om aan boord te komen. De prauw stuiterde als een kurk op de golven terwijl de veel zwaardere sleepboot veel langzamer reageerde op de golfslag. Eerst gooide ik, toen we door een golf hoog boven de sleepboot werden opgetild, mijn uitrusting aan boord waar het werd opgevangen door een matroos. De beide Papoea's hielden met angstige gezichten met hun peddels de prauw vrij van de boot, bang als ze waren dat de fragiele prauw stuk zou slaan tegen het massieve staal van de sleepboot. Toen de kans gunstig was, nam ik een snoekduik richting de verschansing van de boot en zag kans me met beide handen stevig vast te pakken voor de sleepboot aan die kant diep wegzonk in de oceaan. Ik ging meteen kopje onder, maar kwam weer boven toen de sleepboot de andere kant oprolde, en werd met een nat pak aan boord getrokken. Twee andere maten waren niet zo gelukkig, kwamen in het water terecht en dreven meteen weg door de sterke stroming. Zij werden door de Papoea's weer opgepikt en teruggebracht naar de sleepboot. Ik stond te klappertanden van de kou in mijn kletsnatte kleren, want er stond een harde wind. Ik trok mijn droge slaapkleren uit mijn pack en kleedde me vlug om, morgen zou ik slapen in droge, en vooral schone kleren in mijn eigen bed. God, hoe ik verlangde naar een warme douche en een normaal bed.
De terugtocht was een beproeving om het maar zacht uit te drukken. De wind was aangewakkerd tot hard, waar de laag in het water liggende sleepboot tegenop moest tornen, elke keer diep de neus in de golven stekend en golven buiswater sproeiend elke keer als zij zich oprichtte. Wij zaten onbeschermd op het achterdek bijeen gekropen en probeerden bij elkaar beschutting te vinden. Binnen een kwartier waren we weer doornat en zaten te rillen van de kou. Bovendien werd ik zeeziek. Ik kreeg elke keer de bittere smaak van de velletjes van de grapefruit in mijn mond waardoor ik misselijk werd. Het duurde niet lang of ik voelde alles omhoog komen en kotste even later mijn maag leeg over de verschansing.
Door het vele overgeven was mijn maag zo leeg als wat, toch kokhalsde ik elke keer, waardoor ik maagkrampen kreeg. Nat, en tot op het bot verkleumd in kletsnatte kleren zaten we dicht tegen elkaar aangekropen. De sleepboot bonkte tegen de golven op zodat je je steeds moest vasthouden aan alles wat je maar te pakken kon krijgen anders gleed je weg op het door het water kletsnatte en gladde dek. Op een gegeven moment merkten we dat we elkaar goed in de gaten moesten houden. De meeste jongens waren zo uitgeput dat ze ondanks de kou van uitputting voor korte tijd indommelden en het gevaar van overboord slaan was niet denkbeeldig in die stikdonkere nacht. We bonden ons aan elkaar vast met de touwen die bij onze jungle uitrusting hoorde en daarmee was het gevaar gelukkig geweken, hoewel de ontbering bleef. We hadden geen eten, geen drinken, en roken kon ook niet, door het vele water dat over ons heensloeg.
De volgende morgen strompelden we moeizaam de kade in Hollandia op, blij dat we weer vaste grond onder de voeten hadden en volkomen uitgeput na een nacht van zeeziekte, koude en ontberingen. Ik smeet mijn uitrusting op de kade, ging er boven op zitten met mijn karabijn op mijn knieën en wilde een sigaret draaien. Ik vloekte teleurgesteld, mijn shag en vloeitjes waren kletsnat van het zeewater. De sergeant en de korporaal liepen druk doend over de kade.
-Opstellen! riep de sergeant, en terwijl we ons vermoeid overeind hezen en in de houding gingen staan werden we geteld en geïnspecteerd. Het was een sjofel stelletje wat daar stond. Ongeschoren, mager en vuil. Gescheurde, vieze kleren en rode ogen van het zeewater en gebrek aan slaap. Ik keek al rond naar een truck die ons naar het Kloofkamp zou brengen, want ik voelde me zo slap als een vaatdoek. Er was natuurlijk geen truck.
-Luister uit! riep de sergeant met schorre stem, en schraapte zijn keel. Ondanks dat we een zware tijd achter ons hebben, en een koude ongemakkelijke nacht, lopen we naar het Kloofkamp. We marcheren over de Oranjelaan naar het Kloofkamp alsof het een plezierreisje is geweest.
De eerste de beste die strompelt, of zich niet als een marinier gedraagt, krijgt met mij te maken.
-Voorrrrwaarrrts, Marrrrs!
En daar marcheerden we over de Oranjelaan in onze sjofele uitrusting alsof we een parade op Koninginnedag liepen met tamboers en pijpers voorop. We kregen er zelfs een soort macaber plezier in en trokken de schouders naar achteren en de borst naar voren.
-Zingen! riep de korporaal die de stemming haarfijn aanvoelde, en zo liepen we luidkeels
(O, dronken marinier, waar kom jij zo laat vandaan, ere zij uw naam) zingend en nagestaard door verbaasde voetgangers, naar de kazerne terug. Toen we de poort binnen marcheerden gooide de wacht grijnzend de slagboom voor ons open.
Eenmaal in de barak gooide ik mijn spullen op de vloer en ging aan het werk. Karabijn schoonmaken en oliën. Kleren wassen en aan de lijn hangen, mandiën, brieven lezen van thuis, en toen naar bed. Jonge, wat was ik moe. En wat was het bed lekker zacht. Na zes weken op een nat zeiltje tussen twee boomstammetjes geslapen te hebben, was dit een ongekende weelde. Ik sliep wel een paar uur achter elkaar. Toen weer mandiën en daarna met alle patrouillegangers naar de ziekenboeg die een eindje buiten het kamp lag, om nagekeken te worden. Toen we daar naakt naast elkaar stonden kon je pas zien hoe we eruit zagen. Brandmager met uitstekende ribben en ingevallen buiken. Bulten en plekken van insectenbeten, ringworm, en rode puisten in oksels en liezen. Ikzelf had grote rode vlekken, het leek wel een soort eczeem in mijn liezen. Aan de enkels en ellebogen zweren en littekens van bloedzuigers. Ik was broodmager en woog slechts 65 kilo bij een lengte van 1,95 m. De sergeant van de ziekenboeg, een grote zwarte Surinamer, begon met een andere ziekenpa onder het maken van grappen ons te behandelen. Het was een vrolijke humoristische vent die we allemaal graag mochten. Met een soort verfkwast smeerde hij jodium in mijn liezen zodat ik op en neer danste van de pijn.
-Elke dag terugkomen!, balkte hij in mijn oren. Goed voor de ballen! Jullie witmannen kunnen ook nergens tegen!
Dan wij Surinamers!, wij worden als kind elke dag gebaad in jodium, daarom zijn we zo bruin.
Die avond brachten we in de kantine onze tijd door aan de bar waarbij wij ons menig blikje bier goed lieten smaken. Met schaatsende bewegingen ging ik die avond naar bed. De volgende morgen na baksgewijs liep ik naar de wachtlijst op het publicatiebord en zag dat ik ingedeeld was bij de wacht op het vliegveld Sentani. Dat betekende een abrupt einde van de behandeling in de ziekenboeg. We gingen daarheen voor een termijn van vier weken. Het vliegveld werd door ons met twee geweergroepen bewaakt omdat het een vitaal deel uitmaakte van de infrastructuur van Hollandia. Als het bezet zou worden door de Indonesiërs of door rebellen was de stad waar ook het gouvernement zetelde, min of meer geïsoleerd. De enige manier van transport was dan nog over zee. Het "kamp" bestond uit een vierkant braak stukje grond omzoomd door een witgekalkt houten hekje. In het midden stond de vlaggenmast met vlag, om aan te geven dat we hier weliswaar in een uithoek, maar wel degelijk in het Koninkrijk Der Nederlanden waren. Rondom de vlaggenmast stonden een zestal afgedankte tenten van Amerikaanse makelei waar we in ondergebracht werden. Een tent deed dienst als eetruimte, opslagplaats en keuken. De anderen waren om in te slapen. In elke tent stonden zes houten britsen waar we op sliepen. Het lag wel hard, maar dat vonden we niet erg, we waren wel anders gewend. Ook hing er een kleine groene klamboe van het soort wat we mee namen op patrouille. Commandant van het kamp was een korporaal of marinier 1e klas. We liepen patrouille over het vliegveld en de gebouwen die s,nachts geheel verlaten waren. Het gaf je een mooie kans de vliegtuigen van heel dichtbij te zien en soms een praatje te maken met de bemanningsleden. Er waren Dakota,s en Twin Otters van de Kroonduif, maar ook Firefly’s van de Marine Luchtvaartdienst en kleinere vliegtuigjes van de zending en de missie.
Het eten in het kamp was ronduit slecht en bestond uit noodrantsoenen die soms vijf jaar over de houdbaarheidsdatum waren. Soms moesten we dozen weggooien omdat alle blikjes bol stonden. Meestal deelden we de eetbare blikjes samen zodat we er iets van konden maken. Ritsel, maar ook Stoop waren handig in het "lekkerder" maken van de gerechten door er prei of uien aan toe te voegen, of door bijvoorbeeld de hutspot of jachtschotel uit blik op te bakken. Brood werd elke morgen gebracht door een bakker uit Sentani, maar we hadden geen beleg. In het noodrantsoen zaten wel eens plakjes kaas of jam uit blik maar die vielen door ouderdom uit elkaar, zodat we vaak suiker of pisang aten op ons brood.
Na een maand werden we weer naar het Kloofkamp teruggebracht en was ons betrekkelijk vrije leventje over. Veel wachtlopen bij het paleis van de gouverneur en in het kamp. Als je vrij van wacht was, waren er allerlei oefeningen en exercities die je tot ‘s avonds laat bezig hielden.
Langzamerhand waren we "oude jongens" geworden, en kenden we het klappen van de zweep. Onze huid had de kenmerkende ietwat gele kleur gekregen door het slikken van de Paludrine tabletten tegen de malaria, en we kenden elke toko in Hollandia. Onze kleren waren gebleekt en verschoten door het vele wassen en velen van ons waren al gepromoveerd tot marinier der (jawel) tweede klasse. Onze commandant Harthoorn was vertrokken en vervangen door eerste luitenant de Rijke. Een lange sportieve vent die het als zijn missie zag ons versterkte peloton tot nog grotere prestaties te prikkelen.
Het begon met het lopen van de Nieuw-Guinea vierdaagse. Op het publicatiebord werd een oproep gedaan voor vrijwilligers maar toen er zich niemand meldde, werden we onvrijwillig tot vrijwilligers gemaakt. We haalden berustend de schouders op. Het korps nietwaar? Dus liepen we vier dagen van vijftig kilometer per dag, zwetend onder de tropenzon. Lunchpakketten en water werden aangevoerd met een Landrover, eten deden we staande in de schaduw van een paar bomen in de berm van de weg. In Nieuw-Guinea kun je niet ongestraft in de berm gaan zitten. Aangezien er niet veel geplaveide wegen zijn rondom Hollandia liepen we een aantal malen dezelfde route in omgekeerde volgorde, wat het niet minder saai maakte. De vierde dag was er zowaar een prijsuitreiking en kregen we een medaille. Ik was de mijne de week erop al kwijt, veel waarde hechtte ik er niet aan, we liepen zoveel kilometers, die 200 kilometer kwamen er ook niet meer op aan.
De week erop leerden we de nieuwe commandant beter kennen. Na een zware oefening op de Sentani laagvlakte waar we met trucks waren heengebracht kregen we te horen dat we de veertig kilometer naar Hollandia terug moesten lopen. We kankerden naar hartelust. We hadden de hele dag in de bloedhitte lopen rennen. Infanterie oefeningen. Schuttersputjes graven, met het mortier en de bijbehorende granaten sjouwen, steeds hardlopend van positie wisselen zodat we bekaf waren. Maar de commandant was onverbiddelijk. Na een noodrantsoen verorberd te hebben togen we op pad. We mochten "vrij in het gelid" lopen, zodat er al snel grote gaten vielen in het peloton. Ongeveer halverwege werden we ingehaald door een vrachtwagentje van een Chinese handelaar. Achter in de open laadbak zaten drie maten waaronder mijn maat Fred Wegeman, die ons lachend en uitbundig toezwaaiden terwijl ze voorbijreden. We keken elkaar verbaasd en grijnzend aan.
Die slimme ratten! Als ze zich maar niet lieten zien aan het kader want dan zwaaide er wat voor ze. Wij liepen door, met zere voeten en schouders die pijn begonnen te doen van de zware packs die we droegen en mijn jungle karabijn. Toen we eindelijk na zes uur lopen met een zucht van verlichting het donker het kamp binnen marcheerden (strompelen deed je niet) wachtte ons een vreemd schouwspel. De jongens die voor ons waren aangekomen (ik liep ongeveer in de middenmoot) waren zich niet aan het mandiën maar stonden aangetreden op de binnenplaats. Verbaasd stootten we elkaar aan. Wat was dat nu? We kwamen er snel achter. De jongens die met de Chinees waren meegereden, waren gesnapt. Wij moesten aansluiten bij de maten die er al stonden. Toen na een poosje iedereen binnen was, nam de commandant het woord.
-Omdat drie mariniers zo kinderachtig zijn geweest om met een auto mee te liften in plaats van te lopen zoals de opdracht was, gaan we het simpelweg allemaal nog een keer over doen, zei hij effen.
We werden weer in de trucks geladen waarvan de chauffeurs ons met een meewarig gezicht stonden op te wachten. En weer terug naar Sentani gebracht. Daar kregen we een stukje krentenbrood uit een noodrantsoen en water, en daar gingen we weer. Dit keer in het pikkedonker. De Rijke liep zelf met kwieke pas voorop. Dat maakte indruk op ons, want zelf had hij ook de oefeningen en de mars naar Hollandia gemaakt, net als ons. Hij had ook thuis kunnen blijven, maar het sierde hem dat hij meeliep, zo dachten we er allen over. Dit keer liepen we niet meer vrij in het gelid, maar onder leiding van een woedende en scheldende korporaal die met bloed doorlopen ogen naar Fred Wegeman keek. Voor het peloton liep een marinier met een wit licht en aan de achterkant een met rood licht voor het verkeer. Niet dat er ‘s avonds laat veel verkeer was, ik denk dat we geen een auto zijn tegengekomen. We kwamen voor de tweede keer die dag door Hollandia Binnen (Abepura), en de bewoners stonden ons verbaasd op te nemen. Wat deden die mariniers nu weer?
De voettocht begon me erg zwaar te vallen. En mij niet alleen. We hadden die dag ons portie wel gehad, en dan nog dit hele eind opnieuw lopen. In het peloton begonnen uitvallers te komen zodat de korporaal na overleg met de Rijke, gedwongen werd halt te houden. De ziekenpa begon meteen met de ergste gevallen te behandelen. Blaren werden doorgeprikt bij het licht van een zaklantaarn, en boterhammen werden rondgedeeld. Ik strekte me helemaal op het asfalt uit en hield mijn voeten omhoog zodat het bloed naar beneden kon stromen. Ik had loodzware benen en mijn schouders waren gevoelloos geworden door het gewicht van het backpack. Blaren had ik gelukkig nog niet. Wel pijnlijke voeten en benen. Na een kwartiertje gingen we weer op weg. De eerste paar honderd meter zijn dan het moeilijkst. Je hebt net gerust, en je kunt bijna het ene stijve been niet voor het andere krijgen. En dan het zweten. Het gutst uit je poriën en stroomt brandend in je ogen. Het bijt in de rauwe plekken onder je armen, je liezen en de schuurplekken van de banden van je backpack. Maar opgeven was geen optie, dat wisten we. Dat kan niet in het korps. Zo sjokten we door de tropennacht. Om ons heen het golvende gezoem en getsjirp van de ontelbare insecten in het oerwoud aan weerszijden van de weg. Boven ons een bleke maan die de weg voor ons enigszins verlichtte. Verder geen geluid behalve het ritmisch neerkomen van de voetstappen in het peloton, het gekraak van de riemen en uitrustingstukken en het gehijg van de uitgeputte manschappen.
De weg omhoog tegen de steile hellingen van het Cycloopgebergte was een marteling. Mijn benen voelden of ze van gelei waren, er zat geen kracht meer in. Gelukkig was het tempo niet al te hoog, we waren allemaal aan het eind van onze krachten. Toen we eindelijk boven op de top van de tjot waren en een fris windje van zee voelden stopten we voor een korte rust. Ik ging niet liggen of zitten, als ik dat had gedaan was ik nooit meer omhoog gekomen. Ik bleef tegen een boom geleund staan en gebruikte mijn karabijn als steuntje. Gulzig slokte ik een slok water naar binnen toen we daar verlof voor hadden gekregen.
Daarna de berg weer af. Het was nog erger dan het klimmen. Het voortdurend afremmen met je uitgeputte verzuurde benen deed niet alleen pijn, maar je moest ook opletten dat je niet door de vermoeidheid struikelde en viel. Met elke stap sloeg mijn pack tegen mijn rug en schuurde de banden mijn schouders stuk. Van de verdere tocht herinner ik me niet al teveel, het lijkt wel alsof ik het onbewust verdrongen heb, maar het kan ook door de uitputting komen waardoor ik alles als in een roes beleefde. Soms gebeurde het ook wel eens als je op patrouille was. Je was dan zo uitgeput en leeg, dat het wel leek alsof je uit je eigen lichaam trad. Alles wat er gebeurde leek wel van heel ver te komen, het was net alsof je er niet meer bij betrokken was, maar dat een ander dan jijzelf daar liep. Een soort zelfbescherming denk ik als je letterlijk op je laatste benen loopt.
Toen we het kamp binnenmarcheerden ontwaakte ik uit mijn verdoving en kwam weer tot mezelf. We mochten inrukken en strompelden naar onze barak. Ik gooide mijn barang op het bed, en ging meteen naar de doucheruimte om te mandiën. Ik was bang dat ik niet meer op zou staan als ik ging zitten, laat staan liggen. Ik was er niet al te slecht aan toe. Mijn schouders waren stuk geschuurd en schrijnden, en mijn liezen en oksels waren pijnlijk en rauw door het overvloedig zweten. We hadden die dag ongeveer vijf en negentig kilometer gelopen, en dat kon je aan je lichaam merken. Na het mandiën ging ik, nadat ik wat gegeten en veel water gedronken had, op bed liggen. Het was ongeveer vijf uur 's morgens en het begon al licht te worden.
Ik viel in een soort bewusteloosheid waaruit ik een uur later ruw werd gewekt doordat er iemand aan mijn schouders stond te schudden. Het was de korporaal die me probeerde duidelijk te maken dat het overal was. Ik liet me van mijn bed glijden en waggelde naar het mandihok. 
Toen we stonden aangetreden voor baksgewijs zagen we er niet uit als een gezond stelletje Hollandse jongens. Strakke gezichten door de doorgestane ontbering en het gebrek aan slaap. De dag begon rustig. Met nog drie jongens en een marinier 1e klas werden we naar het paleis gereden waar we de wacht afloste die daar het vorige etmaal dienst had gedaan. Toen we binnenkwamen keken we de marinier 1 die de leiding had, afwachtend aan. Wie ging er het eerst op wacht en wie kon voorlopig vier uur de kooi in? We gaan loten besloot hij. Inwendig kreunde ik. Ik win nooit iets, en het kwam uit. Even later stond ik in mijn groene dungareepak met helm voor het schildershuisje bij de ingang van het terrein tegenover de wachtpost. Twee uur duurde mijn dienst, het werd heet toen de zon goed doorkwam en ik leed in stilte. Het was doodstil, geen windje roerde zich en ik moest moeite doen om niet staande in slaap te vallen. Dus ging ik maar heen en weer lopen. Tien passen naar links, model rechtsomkeert maken, twintig passen naar rechts, model linksomkeert maken, twintig passen naar links, enz.
Toen ik werd afgelost leek het wel of ik vier uur op wacht had gestaan in plaats van twee. Snel stopte ik mijn hoofd onder de kraan, droogde me af en dook een van de stapelbedden in die in het wachtlokaal stonden. Nog half bewusteloos werd ik drie en een half uur later weer gewekt om weer twee uur schildwacht te staan. Zo langzamerhand begon het einde van onze Nieuw-Guinea term er op te zitten en we praatten met elkaar over hoe ons leven verder zou gaan. Wat ging je doen als je weer thuis bent? Ik had er niet echt over nagedacht, en leefde min of meer van de ene dag in de andere. Op een avond toen we bij de Chinese toko aan de Oranjelaan aan een pilsje zaten zei Ritsel op nadenkende toon;
-Ik denk dat als we eenmaal thuis zijn, we een tijdperk hebben afgesloten. Het zal nooit meer zo zijn als het was.
Op dat moment moesten we lachen om die sombere woorden, maar later heb ik er nog vaak aan teruggedacht. Hij sloeg de spijker op zijn kop.
Terug naar boven
Copyright © E.Schurink.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Terug naar Holland 1962
Het is gek, maar als je weet dat je tijd erop zit, en je gaat repatriëren, dan word je toch ongeduldiger en we waren er ook erg mee bezig. Omdat ik voor de terugreis burgerkleren nodig had, (de mijne had ik verkocht bij aankomst in Biak) struinden we in Hollandia de winkels en toko's af naar iets geschiktst en eindelijk vond ik wat ik zocht. Op mijn militaire kakibroek droeg ik een kleurig Hawaï shirt. Mijn lage zwarte schoenen eronder, en klaar was Kees! Als we terugvlogen was het zomer in Holland, dus wat wil je, dacht ik. En via de Zuidroute terugvliegen was geen probleem, daar was het overal warm. Alleen als we over de Noordpool terugvlogen zou ik wel eens heel erg koud kunnen krijgen, maar die gok nam ik.
Na verloop van tijd was het dan eindelijk zover. Op het publicatiebord stond een mededeling dat Ritsel, Stoop, Visser, Kees Plug, Fred, nog een paar anderen en ik overgeplaatst zouden worden naar Biak in afwachting van onze repatriëring naar huis.
De tijd van afscheid nemen van de achterblijvers in het kamp was aangebroken. We hadden de kantine in bezit genomen, flink wat bier besteld bij Kees Kiviet, onze barman, en het feest kon beginnen. Naarmate we meer gedronken hadden werd de stemming steeds vrolijker en tenslotte een beetje sentimenteel, zodat Stoop opeens verkondigden dat hij niet naar huis wilde, terwijl de tranen hen in de ogen stonden. We lagen dubbel van de lach, trokken hem overeind en niet lang daarna was hij het voorval vergeten en opende met nieuw enthousiasme het zoveelste tinnetje bier. We werden zo luidruchtig dat de onderofficier van de wacht binnenkwam om ons een beetje tot stilte te manen, maar we waren niet tot bedaren te brengen. Ik denk dat de goede man de moed maar opgaf. Uiteraard was het niet zomaar een feestje, het waren jongens die naar huis gingen na anderhalf jaar dienst te hebben gedaan in Nieuw-Guinea. Het feest duurde tot diep in de morgen. We waren aan de ene kant opgetogen en blij dat we naar huis gingen, maar iets in ons zei dat we voorgoed afscheid namen van dit prachtige land en zijn bewoners. Het maakte dat je er een dubbel; gevoel bij had.
De hele rit naar het vliegveld in Sentani waar we zouden vertrekken wezen we elkaar op de plaatsen waar we wacht hadden gelopen, geoefend hadden, of hadden gepassagierd. Het vliegveld waar we zoveel hadden wachtgelopen.
De vliegtocht met de DC-3 van de Kroonduif verliep voorspoedig, In Biak werden we met een truck naar het kamp vervoerd en ondergebracht in de repatriëringbarak. We hoefden zowaar geen wacht te lopen, en geen dienst te doen, zodat we languit luierden op het strand, zwommen in de baai, en 's avonds naar de kroeg gingen om te knokken met de commando's van de Landmacht. Een dagelijkse ontspanningsoefening waar met plezier naar werd uitgekeken. Aangezien wij, mariniers, met een grotere numerieke overmacht waren wonnen we meestal, waarop we de dag erna tijdens het likken van de wonden, trots op terugkeken.
We verwelkomden veel oude maten terug in Biak, in afwachting van de reis naar huis. Er waren jongens bij met wie we op de opleiding in Doorn en Sorong hadden gezeten, en die na de opleiding uitgewaaierd waren over Nieuw-Guinea. Het gaf aanleiding tot allerlei feesten, elke nacht gingen we blij maar onvast naar kooi. Ik ontving vanuit Nederland een postpakket van mijn moeder. Het bevatte een wit overhemd en een stropdas. Kennelijk was ze van mening dat mijn Hawaï shirt niet zo geschikt was voor de terugreis. Een paar keer per dag liepen we vol verwachting naar het publicatiebord bij de kantine om te kijken of we al op de repatriëringlijst stonden. Er stonden wel namen op van jongens die naar huis gingen, maar die van ons groepje niet. Ik maakte me er niet al te druk over, het enige wat me interesseerde was met welk type toestel ik terug zou vliegen en volgens welke route. De KLM had drie typen toestellen in gebruik voor intercontinentale vluchten; de Douglas DC 7C, de Lockheed Super Constellation en de nieuwe Lockheed Electra. Naar de laatste ging mijn voorkeur uit, het was namelijk een nieuw passagiers toestel dat aangedreven werd door turboprop motoren. Er waren ook twee routes die de KLM vloog naar Nederland. Er ging er een via de Noordpool, maar die kende ik al, zo was ik immers hierheen gevlogen. De andere route ging via de Zuidroute via India en Pakistan. Dat leek me wel wat, dan was ik immers rond de wereld gevlogen. Niet gek voor een eenvoudige boerenjongen.
Er vond op dat moment een sterke opbouw van de Nederlandse strijdkrachten plaats in Nieuw-Guinea. Eenheden van de Koninklijke Land-en Luchtmacht kwamen de Koninklijke Marine versterken. Vanaf 1950 tot 1962 deden 25000 Nederlandse militairen dienst in Nieuw-Guinea. Van de Luchtmacht werd het 322 squadron met 12 Hawker Hunters dat gelegerd was op Soesterberg overgeplaatst naar Nieuw-Guinea. Later werden er nog eens12 Hunters verscheept die uitgerust waren met Sidewinder air-to-air missiles. De Koninklijke Marine stuurde het vliegdekschip Hr.Ms. Karel Doorman. De onderzeebootjagers Hr.Ms.Piet Hein en Hr.Ms. Overijssel werden afgelost door de onderzeebootjagers Hr.Ms. Amsterdam en Hr.Ms. Utrecht. In Indonesië zat men ook niet stil met de opbouw van de invasiemacht. De Sovjets waren te hulp gekomen met zes onderzeeboten, 30 bommenwerpers en 2500 man personeel.
Op zekere dag was het dan eindelijk zover. We stonden op de lijst. Ik zou op 27 Juli 1960 samen met Ritsel, Henk Weij en nog een paar anderen per “Super Connie” via de Zuidroute naar Nederland vliegen. Ik was niet ontevreden, wel geen supernieuwe Electra, maar wel een ander vliegtuig en een andere route. Het werd nu werkelijkheid. Het afscheid van Nieuw-Guinea was zoals elk afscheid weemoedig. Vroeg in de middag werden we met een VW busje van de Marine naar het vliegveld gereden om de lange terugtocht naar Nederland te aanvaarden. Vol ontzag keek ik op tegen de Lockheed Super Constellation van de KLM die ons terug zou vliegen. Het was een enorm toestel, de PH-LKG “Griffioen”. Het had de gestroomlijnde vormen van een dolfijn vond ik. Lang en slank met een iets gebogen rug, drie staarten en een lange neus. Vier Wright Cyclone motoren van 3250 PK per stuk. Propellers met een diameter van bijna 5 meter. Het startgewicht was 55 ton, inclusief 25000 liter brandstof. Het vliegtuig kwam uit Australië op weg naar Nederland en was voor een gedeelte al gevuld met passagiers. Ik kreeg een plaats achter een ouder stel Australiërs en hun kleindochter. Ze waren van Poolse komaf en op weg naar Polen voor familiebezoek. Het meisje was ongeveer een jaar of tien. Ze kwam onmiddellijk naast me zitten en kletste honderduit. We werden zulke goede maatjes dat ze de hele lange weg naar Nederland naast me bleef zitten.
Terwijl de grote motoren haperend en onwillig aansloegen en brullend tot leven kwamen, had ik weer het zelfde opgewonden gevoel van avontuur dat ik had gehad toen ik van Schiphol vertrok. Het leek inmiddels wel een eeuwigheid geleden. Ik voelde me ontzettend bevoorrecht dat ik dit meemaakte in een tijd waarin een reisje naar de Veluwe een hoogtepunt was in het leven van de meeste mensen in Nederland. Toen het vliegtuig opsteeg en ik het land onder me zag verdwijnen moest ik denken aan mijn aankomst thuis. Ik was erg blij mijn ouders en mijn broers en zusjes weer terug te zien, ik had zelfs een zusje dat na mijn vertrek was geboren, en dat ik nog nooit had gezien. Ik keek eens om me heen in het vliegtuig. Net als in de Douglas DC7c waarmee ik naar Nieuw-Guinea was gevlogen, had ook deze drie stoelen aan de bakboordkant, en twee stoelen aan de stuurboordkant, gescheiden door een gangpad. Verder was er weinig verschil, misschien dat de inrichting van dit toestel iets verfijnder was. We vlogen op een hoogte van 4600 meter met een snelheid van 435 km per uur over de Grote Oceaan, die ik door de raampjes van het vliegtuig donkerblauw zag glinsteren. We waren op weg naar Manilla voor de eerste tussenlanding, ongeveer zes uur vliegen. Wel iets anders dan op de heen reis met van die ontzettende lange vliegtijden. Boven de baai van Manilla zagen we de lange steigers die door de Amerikanen waren aangelegd tijdens de tweede wereldoorlog.
We maakten een mooie landing en zaten een kwartiertje later in het restaurant op de luchthaven aan een lunch die we ons best lieten smaken. De meisjes die ons bedienden waren erg mooi om te zien, en we deden erg ons best om hun aandacht te trekken. Dat lukte best, en toen we ontdekten dat we met ze konden praten in een mengelmoesje van Engels en Maleis was het feest kompleet. Het werd tamelijk luidruchtig, met veel gelach en geflirt. De andere (meest oudere) passagiers keken naar ons met een mengeling van afkeur en geamuseerdheid. Toen de stationsmanager ingreep was het snel gebeurd. De meisjes vluchtten giechelend de keuken in, en wij stonden op om weer aan boord te gaan voor de volgende etappe.
Na zeven uur vliegen landden we op het vliegveld van Bangkok. (Krung Thep) Het was bewolkt, het had er net geregend zodat grote plassen op het asfalt lagen. Het vliegtuig stoof door waaiers opspuitend water de landingsbaan af. Toen ik de vliegtuigtrap afliep sloeg de vochtige hitte als een natte dweil op me, zodat ik snel het koele stationsgebouw invluchtte. We kregen grote koppen gloeiendhete thee die we gretig naar binnen slurpten, dorstig als we waren. Ik ging ondanks de hitte naar buiten en maakte wat foto's van ons vliegtuig die inmiddels werd bijgetankt voor de volgende etappe. Het bekende ceremonieel van het starten van de vier motoren, onder het kuchend uitstoten van enorme zwarte rookwolken, vond weer plaats, en het toestel taxiede naar het begin van de landingsbaan om op te stijgen. In het vliegtuig kletste ik wat met het meisje en haar grootouders of legde een kaartje met de maten. Na het eten doezelde ik in, en werd wakker toen we in Calcutta landden. We hadden slecht vier uur gevlogen, het leek net het boemeltje van Purmerend vond ik. Het was nog steeds licht omdat we westwaarts vlogen “met de zon mee”. Het was een gekrioel van mensen op de luchthaven. Op de hekken langs het vliegveld zaten of hingen bedelende mensen die zacht murmelend en met naar ons uitgestoken hand, hoopten iets bij elkaar te schooien. Een gekoeld stationsgebouw was er niet, dus zaten we onder een overkapping thee te drinken die geserveerd werd door prachtig uitgedoste Indiërs. Het gezicht van de grauwe armoede van de bedelende mensenmassa vond ik afschuwelijk om te zien en ik was blij toen we weer naar het vliegtuig liepen om de volgende etappe te gaan ondernemen. Tijdens het taxiën naar de startbaan reden we langs eindeloze rijen armoedige hutten met naakte kinderen gekleed in vodden en schurftige honden.
Het volgende vliegveld was New-Delhi waar we na ongeveer vier uur landden. Het was inmiddels donker geworden en we werden vervoerd per bus van de luchthaven naar het KLM hotel dat aan de rand van de stad lag. Het bestond uit een hoofdgebouw met aan weerszijden vleugels van geschakelde kleine witte tweepersoons bungalows in een mooie palmtuin. Het had een douche en toilet en was geriefelijk ingericht. Ik werd door een schuifelende oude man met tulband naar mijn kamer gebracht. Ik sliep alleen, hetgeen ik, na twee jaar tamelijk intiem gezelschap van hoestende en snurkende maten te hebben gehad, helemaal niet erg vond. Ik gaf hem van mijn schamele tientje zakgeld een kwartje fooi, waar hij mij hartelijk voor dankte. Toen ik had gedoucht en de slaapkamer inliep ontwaarde ik tegen het plafond de grootste tjitjak die ik ooit had gezien. Het beest was minstens 15 cm lang. Ik naderde hem voorzichtig om hem niet weg te jagen, maar ook om te zien of het wel werkelijk een tjitjak was. Het beest keek me aan met twee gitzwarte oogjes of hij zeggen wilde; zolang ik hier ben heb je geen last van muskieten. Ik schudde uit voorzorg mijn klamboe goed uit, omdat zich daarin overdag muskieten verschuilen die zich vervolgens 's nachts aan je tegoed doen. Daarna ging ik naar het restaurant om het diner te gebruiken. Jawel, het diner. We werden als VIP's behandeld, en konden net zoveel eten en drinken van de heerlijke kerrieschotels met vlees, als we maar wilden. Achter elke stoel stond een zwijgende Indiër. Hij schoof voorzichtig de stoel onder je kont als je ging zitten, schepte je bord vol als je wilde eten, schonk je glas bij als je er iets uit had gedronken, en deed er van alles aan om zich nuttig te maken.De volgende morgen werd ik al vroeg door de bediende gewekt en ik ging naar de eetzaal voor het ontbijt. Daar zaten inmiddels bijna iedereen al aan tafel en vlug schoof ik tussen Ritsel en Henk in, die een plaatsje voor me hadden opengehouden. De gezagvoerder ging staan en verzocht om stilte voor het gebed. In die tijd reisde je als gezelschap inclusief de bemanning als gezelschap naar Schiphol. Zaken die in deze tijd ondenkbaar zijn geworden. Toen we met de bus naar het vliegveld vertrokken zag ik in het daglicht dat het landschap er veel groener uitzag als in Calcutta. Ook leek het wel minder heet te zijn. Grote palmen met brede bladeren stonden langs de oprit naar het hotel en in de groene tuinen waren borders vol met kleurige bloemen. Verderop in de buurt van het vliegveld werd het uitzicht echter steeds armoediger en zag je het bekende tafereel van in lompen gehulde mensen die langs de stoffige straten sloften. Vervallen grauwe huizen, en op de stoepen stalletjes waar handelaars allerlei waren hadden uitgestald.
Na een vlucht van iets meer dan twee uur landden we in Karachi in Pakistan. We kregen een lunch aangeboden in een restaurant dat op Engelse koloniale stijl was ingericht. Veel glimmend gepoetste teakhouten stoelen en tafels, hertengeweien aan de muur, en olifantslagtanden als versiering gedrapeerd op de met Perzische kleden bekleedde vloer. Ook hier veel in lokale dracht uitgedoste bedienden die voortdurend om ons heen slopen om zelfs de kleinste wensen ogenblikkelijk te kunnen vervullen. En buiten tegen de hekken van het vliegveld dezelfde armoedige massa in lompen gehulde mensen die zich vergaapten aan ons, in hun ogen, rijke blanke Westerlingen. Toen we weer opstegen was dit voor een langere tocht. Niet meer als een boemeltreintje van het ene stationnetje naar de andere op weg naar huis, maar een heuse vliegtocht van wel acht uur! We waren op weg naar Beiroet, de hoofdstad van Libanon. Het vliegtuig was voor deze langere tocht tot de nok toe volgetankt en stoof brullend over de stoffige startbaan om snelheid te winnen voor het opstijgen.
Ik probeerde wat te slapen, maar het getril en gedreun van de motoren maakten dit onmogelijk. Bovendien was ik niet moe, door de korte etappes kreeg je volop gelegenheid de benen te strekken. Dat was wel even wat anders dan op de heenreis. Toen was de langste etappe over de Noordpool negentien uur aan één stuk. Ik raakte aan de praat met het echtpaar die achter me zat. Hij was soldaat geweest in het Poolse leger toen de oorlog uitbrak. Na veel omzwervingen was hij in Engeland terechtgekomen en had dienst genomen in een Pools regiment die in Engeland werd opgeleid voor de strijd tegen de Duitsers. Na de landing in Normandië was hij al vechtend Europa doorgetrokken. Toen de oorlog was afgelopen emigreerde hij naar Australië waar hij zich een bestaan had opgebouwd als loodgieter. Ze waren genaturaliseerd tot Australiërs en waren nu met hun kleindochter op weg naar Warschau voor familiebezoek.
Met ons reisde ook een zendeling met een lange geel/witte baard terug naar Nederland. Hij was gekleed in een veel te groot versleten grijs pak waarin hij zich onbeholpen voortbewoog, en zag eruit als een iemand van negentig jaar oud. Hij was heel lang in Nieuw-Guinea geweest, trekkend van kampong naar kampong. Van een paar missiezusters die met hem meereisden, hoorde ik dat hij de gewoonte had om met een ezeltje het oerwoud in te trekken om de mensen in aanraking te brengen met het geloof. Het ezeltje was beladen met geneesmiddelen en andere nuttige dingen waarmee hij de Papoea kinderen tegen allerlei infectieziekten behandelde. Hij was zo onbaatzuchtig bezig dat hij totaal vergat ook voor zichzelf te zorgen. Het gevolg was dan ook dat hij na een paar maanden van rondreizen totaal uitgeput en ziek in de bewoonde wereld terugkeerde. In Hollandia waar de rooms-katholieke zusters hem liefdevol opnamen herstelde hij weer, na ontluisd, ontwormd, en ontvuild te zijn. Ook zijn ezeltje ontving dezelfde liefdevolle behandeling. Wanneer hij weer op zijn voeten kon staan was hij niet meer te houden en vertrok weer naar de kampongs om de meest arme mensen te helpen. Prediken deed hij niet, simpel omdat hij niet met de mensen kon praten. Vaak heeft elke kampong zijn eigen dialect of zelfs een taal, ondanks dat ze soms maar een paar dagen lopen van elkaar liggen. Hij beleed zijn geloof met de daad en dwong onder ieder die hem kende een groot respect af.
We vlogen voor het grootste gedeelte over de kale bruingele woestijngebieden van Rajastan, Iran en Irak, soms over gebergten die het land een pokdalig aanzien gaven. Veel was er niet te zien, alleen toen we over de Perzische Golf vlogen en de eentonigheid van het landschap onderbroken werd door het blauwe water, werd de belangstelling weer gewekt. Daarna volgde weer dor bruin land, soms afgewisseld door steden en dorpen die we heel duidelijk konden zien liggen in het felle zonlicht. Ik doodde de tijd door een kaartje te leggen met de maten en over onze thuiskomst te praten. Sommigen onder ons hadden verkering toen ze naar Nieuw-Guinea werden uitgezonden en hadden hun geliefde al langer dan een jaar niet gezien. Voor jonge mensen veel te lang. Het gebeurde regelmatig dat een meisje het per brief uitmaakte omdat ze een andere jongen had ontmoet. Degenen die het overkwam reageerden allemaal anders. Er waren erbij die zich vreselijk in de steek gelaten voelden en depressief werden. Anderen gooiden de kop in de wind, dronken zich een stuk in de kraag, en zochten vertroosting bij de meisjes in de kampong.
Het vliegtuig zette de daling naar het internationale luchthaven van Beirut in, en kwam met een bons op de landingsbaan terecht. Toen we de vliegtuigtrap afliepen viel het me op, dat alles er zo modern uitzag. Voor het hoofdgebouw dat vier verdiepingen hoog was, en zich uitstrekte langs de landingsbaan, waren perken met groene struiken en bloeiende bloemen die het geheel een fleurig aanzien gaven. In het restaurant wachtten we bij een kop koffie tot het vliegtuig weer was volgetankt en we onze tocht zouden kunnen vervolgen. Een gek idee, dat ik over twaalf uur thuis zou zijn, en mijn ouders en broers en zusjes weer zou zien. Het gaf een idee dat we nu al dicht bij huis waren. Toen er na twee uur nog geen aanwijzing was gegeven dat we het vliegtuig weer in konden, begonnen we wat ongeduldig om ons heen te kijken en ontstond er enige ongerustheid onder de groep passagiers. Bemanningsleden liepen ons haastig voorbij en gaven geen antwoord op vragen die gesteld werden waarom we niet opstegen. Na nog een uur verscheen de gezagvoerder die ons vertelde dat het vliegtuig aan de grond moest blijven omdat een van de motoren problemen gaf. We zouden worden ondergebracht in een hotel in de stad terwijl de motor werd gerepareerd. Het kon wel even duren, waarschuwde hij, de storing was nogal ernstig.
We keken elkaar min of meer overdonderd aan. Wat was dit nu? In een hotel in Beirut overnachten? Ik zag er wel voordeel in. Onderweg in New-Delhi hadden we al in een hotel gelogeerd en dat was me best bevallen. Een beetje luxe was nooit weg toch? Er reed een touringcar voor die ons naar het hotel in de stad zou brengen, de koffers werden ingeladen en daar gingen we. De weg naar de stad voerde door een woestijnlandschap met bruin zand. Heel anders dat ik me had voorgesteld van een woestijn. Ik had altijd gedacht dat het geel zand zou zijn. Beirut was een mooie stad met hoge witte gebouwen aan brede lanen. Hotel Riviera lag aan een brede boulevard en keek uit over de zonovergoten Middellandse zee. We werden ontvangen in de lobby van het hotel en ik kreeg een kamer toegewezen die ik deelde (hoe kon het ook anders) met Ritsel. Grappig vonden we dat we onze hele diensttijd samen hadden doorgebracht, op een korte periode na, dat hij op de “Kaloekoe” had doorgebracht tijdens een tour naar Merauke aan de zuidkust van Nieuw-Guinea. 
We kregen een heerlijk diner voorgeschoteld in de eetzaal die aan de voorkant van het hotel lag en uitkeek op de boulevard. Het was een grote koele ruimte met witte wanden waaraan moderne schilderijen hingen die het geheel iets voornaams en moderns gaven. Grote palmen stonden in geglazuurde potten langs de lange wanden. De tafels en stoelen waren in vierkanten geplaatst, en gesepareerd door grote Oosterse kamerschermen. Het voorgerecht werd opgediend door drie obers uit een soort rijdende tafel met bladen op verdiepingen. Als er iets uit de onderste verdieping werd uitgekozen, draaiden de obers met een handel de bladen om, zodat het onderste dan boven kwam te liggen en er makkelijk uitgeschept kon worden. Toen de obers bij de tafel kwamen waaraan de zendeling met de witte baard zat, schrok deze zo van het omdraaien van de bladen dat hij van tafel opsprong en ze tegen wilde houden. Het hele plateau met bladen viel onder luid gekletter van brekend aardewerk op de parketvloer. De inhoud spetterde tegen de witte wanden en over de kleding van de aanzittenden en de kelners die verschrikt opzij sprongen. Het was een drama. Kelners liepen geagiteerd af en aan met zwabbers en dweilen om de vettige brei van de vloer en de tafels te verwijderen, aangevoerd door een brullende hotelmanager die zenuwachtig heen en weer sprong. Wij zaten met open mond het schouwspel aan te zien. De zendeling zat ten prooi aan opperste wanhoop met gekruiste armen voor zijn gezicht op een stoel terwijl hij door wel drie nonnetjes getroost werd.
Later werd er meegedeeld dat de KLM aanbood om per touringcar een rijtoer door de stad te maken. Daar maakten we natuurlijk wél graag gebruik van. Het werd een hele mooie dag. We bezochten diverse oude monumenten en restanten van Romeinse nederzettingen waaronder een circus. Bij het verlaten van het complex werden we benaderd door bedelaars waaronder een gebogen oud vrouwtje met een hoofddoek om. Ik had niets om te geven, behalve een dubbeltje dat ik in mijn broekzak vond. Ik drukte het in haar uitgestoken hand. Ze keek ernaar gooide het met een woedend gebaar in mijn richting, schraapte haar keel en spuwde een grote klodder naar me. Het mistte me op een haar na. Onder luid gelach van de maten maakte ik me snel uit de voeten voordat ze nog meer verrassingen voor me in petto had.
Ik hielp het hopen, we waren nu wel erg lang onder weg voor mijn gevoel. Ik hoopte maar dat de marine zo netjes was geweest om mijn ouders in te lichten dat mijn thuiskomst was vertraagd. Bij thuiskomst bleek dit inderdaad zo te zijn, ze waren prima op de hoogte gehouden van onze belevenissen door middel van telegrammen uit de van Braam Houckgeest kazerne te Doorn. In die tijd had je natuurlijk nog geen internet of teletekst waarop je de vertrek en aankomsttijden kunt aflezen. De meeste mensen waaronder mijn ouders, hadden ook geen telefoon. Dat kwam pas later.
Na een tussenlanding in Rome stegen we weer op voor naar we dachten de laatste etappe naar Holland, maar dat veranderde onderweg toen we hoorden dat we ook nog een tussenlanding in Frankfurt zouden maken. Een moedeloos gesteun klonk op bij de bekendmaking van de gezagvoerder. Hierbij vergeleken was het Purmerendse boemeltje een sneltrein. Over de Alpen hadden we vreselijk slecht weer zodat we de riemen moesten vastmaken. Eén angstig moment maakte we nog mee toen we, voor ons gevoel, rakelings over een hoge besneeuwde bergtop scheerden. Het weer was zo ruw dat je de toppen van de vleugels, waaraan de langeafstandstanks hingen, naar boven en beneden zag buigen bij elke nieuwe klap die het vliegtuig kreeg. De passagiers, waaronder ikzelf, zaten stil en gespannen te wachten tot we het slechte weer hadden gepasseerd. De kotszakjes werden uitgedeeld en weer (warm en vol) opgehaald door de stewardessen die zich moesten vasthouden aan de stoelen om hun evenwicht niet te verliezen. Maar ook dit ging voorbij en met een zucht van opluchting stapten we op de luchthaven in Frankfurt uit het geteisterde toestel.
Toen we eindelijk boven Nederland vlogen en naar beneden keken, was ik weer thuis. Zo vertrouwd. De weilanden, de groentekassen, de sloten en kanalen die zich kaarsrecht uitstrekken in het vlakke land. De Poolse vrouw die achter me zat boog zich naar voren en zei dat ze Holland heel mooi vond vanuit de lucht. Ik kon niet anders dan het beamen, het leek zo groen en geordend vanuit de lucht dat het wel een prentbriefkaart leek. Heel anders dan de blauwe Stille Oceaan, de bruingele woestijnen of de woeste gebergten waarover we gevlogen waren. Dit was thuis, óns land.
De eerste die ik zag toen ik de stationshal binnenliep, was mijn vader. Hij stond aan de andere kant van een glazen wand en huilde geluidloos terwijl de tranen hem over de wangen liepen. Terwijl in naar hem keek voelde ik zo,n medelijden met hem dat ik het haast ook te kwaad kreeg. Daar stond ik nu, met mijn weekendtas in de ene hand, en in de andere hand een bundel pijlen die ik meegenomen had als souvenir. Ik realiseerde me ineens hoe ze me gemist hadden. Mijn moeder die me elke week trouw een brief schreef. Mijn vader die nu uit blijdschap en opluchting stond te huilen. Mijn broers en zusjes. Ik had natuurlijk ook wel aan ze gedacht, maar met het relatieve egoïsme die de jeugd eigen is, van me afgeduwd. Er waren veel interessantere dingen te beleven om aan thuis te denken en heimwee te hebben. Mijn broer Gert die me ook had uitgezwaaid stond breedlachend op te wachten en stompte me oudergewoonte op de schouder in zijn manier van welkom heten. Mijn jongere broers Arend en Piet, een tweeling, stormden op me af en waren met hun elf jaar nog kind genoeg om me een zoen te geven. Mijn vader stond het van een afstandje door zijn tranen lachend, aan te zien. Daarna trok hij me tegen zich aan. Ik was verbaasd te merken dat ik een kop groter was dan hij, en dat zijn haar grijs was geworden. Mijn moeder en mijn zusjes waren thuis gebleven. Toen ik de kamer binnenstapte vloog ze op me af en huilde zo, dat ik het er benauwd van kreeg. Ik klopte maar onhandig op haar rug, en streek door heur haar, maar ze bedaarde pas toen tante Nel, een vriendin van haar, mij mijn jongste zusje Ansje in de handen duwde met de woorden; Wat vind je van haar?
Ansje was geboren terwijl ik in Nieuw-Guinea was, dus ik had haar nog nooit gezien. Mijn moeder was razend op tante Nel, omdat ze haar jongste kind zelf aan me had willen geven. Ik begreep het wel, daar had ze al die tijd op gewacht en me steeds geschreven hoe voorspoedig Ansje wel opgroeide. Maar wat gebeurd was, was gebeurd, en even later zat ik aan de koffie en de zelfgebakken appeltaart van mijn moeder die me zeer vertrouwd en heerlijk smaakte.
Naar boven
Copyright © E.Schurink.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Hallo Nieuw-Guinea
Eind november 2005 werd ik gebeld door Tom. We zijn boezemvrienden sinds we elkaar voor het eerst ontmoetten op 4 november 1958 toen we opkwamen in de Van Braam Houckgeest kazerne in Doorn. Samen volgden we de opleidingen, samen vlogen we naar Nieuw-Guinea, samen liepen we patrouilles door het regenwoud, liepen eindeloze wachten, samen vlogen we na bijna anderhalf jaar weer terug naar huis. Nu, na bijna 50 jaar hadden we het plan opgevat weer terug te gaan naar het land dat al die tijd nooit helemaal uit onze gedachten was geweest.
De tocht zou gaan: via Singapore naar Menado op Sulawesi. Vandaar naar Biak, vervolgens naar Hollandia, dan Sorong, en via Menado weer terug naar Singapore en Amsterdam.
Om 11.15 stegen we op met bestemming Singapore. Een rustige probleemloze vlucht van twaalf uur. Beetje kletsen, lezen en proberen wat te slapen. Vroeg in de ochtend om even over zes plaatselijke tijd landden we in Singapore. De zon ging net op boven de kokospalmen die het vliegveld omringen.
Even de benen strekken en koffie drinken, en daar gingen we alweer de lucht in. Naar Menado op Sulawesi. We vlogen over Borneo naar Celebes. Wat ik al had gelezen en gehoord bleek uit het vliegtuigraampje waarneembaar. De eindeloze regenwouden waar Borneo vroeger mee was bedekt, zijn voor een groot deel verdwenen door ongelimiteerde en/of illegale houtkap. Doordat het woud wordt gekapt, zakt het grondwaterpeil drastisch. Bovendien worden kanalen gegraven voor het vervoer van het hout, daardoor wordt het gebied nog meer ontwaterd. Elk jaar van juli tot oktober staat het gebied in brand.
Wat een spectaculaire hervorming van de Indonesische landbouw had moeten worden, is uitgelopen op een milieuramp. Miljoenen hectares veen in Kalimantan gaan in rook op als gevolg van het Mega Rice Project van voormalig president Soeharto. Op Kalimantan, het met oerwoud bedekte eiland dat deels Indonesisch en deels Maleisisch is, brandt het veen. Dr Henk Wösten van Alterra heeft het aan den lijve ondervonden, en het is geen pretje. 'Als het op zijn ergst is, is er geen tien meter zicht. Scholen gaan dicht, mensen moeten binnenblijven, vliegtuigen kunnen niet opstijgen of landen, en overal ruik je de geur van verbrande turf, in je kleren, je haren.'
Het vuur keert elk jaar weer terug in het droge seizoen, van juli tot oktober. Onlangs sloeg een internationale club van wetenschappers alarm. Want de effecten van de veenbranden in Indonesië en Maleisië blijven niet beperkt tot de directe omgeving. In 1997, een extreem droog jaar, brandde er volgens satellietdata 2,7 miljoen hectare veen af in Centraal-Kalimantan. Met als gevolg een uitstoot aan CO2 die gelijk staat aan maximaal veertig procent van de complete wereldwijde uitstoot door fossiele brandstoffen per jaar, wat neerkomt op de jaarlijkse uitstoot van Europa. Alarmerende cijfers, vindt Wösten, die samen met collega-onderzoekers uit Indonesië, Maleisië, Duitsland, Finland en Engeland onderzoek doet naar de veenbranden. 'En', verzucht hij, 'er komt pas aandacht voor het probleem als de vliegvelden van Singapore en Kuala Lumpur dicht moeten vanwege de rookoverlast.
Bron: Resource. Weekblad Wageningen UR

Degenen die wél rijk worden van de houtkap en de oliepalmen zijn een kleine groep mensen, die vaak gebruik maken van corrupte overheidsfunctionarissen. Er gaan verhalen de ronde over corrupte ambtenaren die ten onrechte vergunningen afgeven voor het kappen van bos. Dat gebeurt vaak onder het mom van een oliepalmplantage die daar gevestigd zal worden. Vaak gaat het echter om stukken grond die, bijvoorbeeld door de hoogte waarop ze liggen, ongeschikt zijn voor het kweken van oliepalmen. Naast deze witteboordencriminaliteit en semi-legale houtkap vindt nog steeds illegale houtkap plaats. Het kappen van hout zonder vergunning is verboden, maar vaak knijpen politieagenten tegen betaling een oogje dicht. De Indonesische minister van milieu Witoelar geeft in de IKON uitzending aan Paul Rosenmöller toe dat de corruptie een probleem is. Onderzoek van de Verenigde Naties, eerder dit jaar, wees uit dat 73 % van de houtkap in Indonesië illegaal plaatsvindt. Deze houtkap vindt deels plaats op veengronden, en draagt dus bij aan de CO2-ramp.
Bron: IKON Uitzending 13 juni 2007.
Daarna de diepblauwe zee met soms groene eilanden omringd door witte branding en spierwitte stranden. Hier en daar een eenzaam schip. Toen weer land. Sulawesi. Veel meer bebost en bergachtig dan Kalimantan, met bergen van 3000 meter hoog. Het weer betrok.
Toen het vliegtuig de landing inzette, werden we omringd door een grijze nevel. Na een eindeloos lijkende tijd doken we ineens vanonder de wolken en zagen het land beneden ons. Het regende pijpenstelen. De groene palmen en sawah’s die het land overdekken schoten onder ons door toen we lager en lager kwamen tot we met een bons en piepende banden de landingsbaan raakten. Daarna het gierende geluid van de afremmende motoren, en toen het rustig taxiën naar de ontvangsthal.
Daar in het gedrang en geroep van kruiers in blauwe korte broek en tee-shirt elleboogden we ons een weg naar de balie van de douane en de politie. Ernstige gezichten met Polaroid zonnebrillen op, strak in uniform. Na nauwlettende bestudering van onze visa wuifden ze ons onverschillig door. Alleen Nederlanders als oude kolonisators moesten een visum aanvragen in Nederland, inwoners van andere (Westerse) landen konden ter plekke een visum krijgen. Na een hele tijd reden we weg van het vliegveld dat 15 kilometer van de stad ligt. Menado is de hoofdstad van de Minahasa. Onze taxi baande zich met een slakkengangetje, al toeterend en slalommend door het drukke, van uitlaatgassen vergeven verkeer. Toch is er van agressie geen sprake. Men wacht geduldig af, geeft een ander voorrang, en zit heel relaxed achter het stuur. Veel kerken telde ik. Van allerlei gezindten. Protestant, Katholiek, Luthers, Doopsgezinden, vrijzinnigen, wederdopers, er kwam geen eind aan. Ook zagen we enkele moskeeën met luidsprekers op de spitse minaretten.
-Veel kerken, zei ik tegen Robbie onze hotelchauffeur, die ontspannen achter het stuur zat.
-Ja, antwoordde hij. Veel kerken. Veel christenen.
-Ook veel moslims?, vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op.
We arriveerden bij hotel Minahasa dat midden in de stad ligt. Het is een gezellig familiehotel waar veel Indische Nederlanders komen. Het ligt tegen een helling aan. Aan de straatkant zijn de eetzaal en de receptie. Via trappen kom je in de tuin erachter die terrasvormig is aangelegd. Daar staan aparte gebouwtjes die 4 tweepersoons kamers met douche en balkon tellen op 2 verdiepingen. We werden naar onze kamer gebracht en kregen een maaltijd voorgezet in het restaurant. Een aardige oude Indische dame kwam vragen in voortreffelijk Nederlands, of we lekker hadden gegeten, en of de kamer in orde was. 
-Ik ben Tante Lies, stelde ze zich voor. Ik ben al tachtig jaar oud hoor!
We bedankten haar, het was heerlijk.
Aangezien het stortregende, werden we door een bediende met paraplu en lamp tot aan onze kamer gebracht. Daarna zaten we nog een half uurtje op het balkon naar de ruisende regen te luisteren, met uitzicht op de lichtjes van de stad en in de baai van Menado. We gingen naar bed maar voor een paar uurtjes want om twaalf uur moesten we weer op het vliegveld zijn voor de vlucht naar Biak.
Later stonden we gepakt en gezakt voor de receptie van het hotel. Robbie droeg onze koffers naar de auto, en daar gingen we. Het was inmiddels opgehouden met regenen, de wegen waren weer droog. 's Nachts ziet een landschap er heel anders uit dan overdag, en dit tropische landschap zeker. De weg was leeg, hier en daar een eenzame auto, een enkele voetganger. Wel veel rondzwervende kamponghonden die vlug uit de lichtbundel van de auto naar de veilige berm vluchten. Na het inchecken bij Merpati, stegen we om kwart over twee na lang wachten eindelijk op, richting Nieuw-Guinea. Het toestel was tamelijk vol met Indonesiërs, wij waren de enige buitenlanders.
-Nu gaat het gebeuren, zei Tom. Straks zien we de eerste Papoea’s en zijn we terug na 45 jaar.
-Niet te geloven, antwoordde ik. Ik ben erg nieuwsgierig hoe het er uitziet na al die jaren. Er zal wel veel veranderd zijn.
Niet de bergen en de baaien, die zijn onveranderd. Het zijn de mensen die veranderd zullen zijn. Bij dageraad landden we op het vliegveld op Biak. Hier waren we aangekomen in maart 1959 na de lange vlucht over de Noordpool vanuit Nederland. Jong, naïef en onervaren. Vanaf dit vliegveld waren we ook weer vertrokken, bijna anderhalf jaar later. Nog steeds jong, maar zeker niet onervaren.
Ons hotel, het Nirmala Beach Hotel lag aan de zee, maar van een beach was geen spoor te bekennen. Wel stukken beton en rotsblokken die als zeewering dienden. We liepen door de glazen deuren van het hotel naar de receptie, gevolgd door de chauffeur met onze koffers. De lobby zag er prachtig en luxueus uit, met glanzende hardhouten trappen naar boven en dikke tapijten over de marmeren vloer. We keken verbaasd in het rond.
-Chique bedoening, zei Tom. Zitten we wel goed hier?
-Op de voucher en de papieren staat; Nirmala Beach Hotel, zei ik.
De Indonesische bediende in de receptie bekeek onze voucher en knikte. Onze kamer was aan zuidzijde gelegen en bood een prachtig uitzicht over de kalme blauwe zee. Hij was prachtig en overdadig ingericht, met ruime lits-jumeaux en een met bruingeaderd marmer betegelende badkamer met ligbad, en dubbele wastafels. En natuurlijk airco. Ik kon de verleiding niet weerstaan, liep de badkamer in, en nam een heerlijk bad. Daarna wilden we wat eten in het restaurant van het hotel. Bij onze binnenkomst stoven de serveersters verschrikt op van de televisie waar ze voor zaten en verdwenen giechelend in de keuken. Ze waren allen eender gekleed in een fleurig katoenen pakje met batiksymbolen.
Na verloop van enige minuten kwamen er twee tevoorschijn, en vroegen verlegen of we iets wilden eten. We bestelden een omelet en veel koffie. Op de terugweg naar onze kamer liepen we even langs de receptie. Erachter stond een jonge vrouw die er doortastend uitzag.
-Weet u hoe wij bij het politiebureau komen?, vroeg ik haar. Wij moeten een Surat Jalan aanvragen.
Een Surat Jalan is een reisdocument dat buitenlanders in Nieuw-Guinea bij zich moeten hebben. In elke plaats waar je bent, moet je je melden bij de politie en het document tonen.
-U kunt met de hoteltaxi gaan, zei lachte ze. Ik heet Lisa. Zal ik met u meegaan?
Dat was een meevaller. We spraken af voor 1 uur, gingen naar boven en doken in bed om de jetlag te bestrijden.
Het politiebureau bevond zich niet ver van het hotel en bestond uit een aantal lage houten barakken. Een aantal agenten in uniform hingen verveeld en slaperig door de warmte op de banken die voor het bureau stonden. Lisa liep voor ons uit naar een deur, en ging naar binnen. In het kantoortje stonden een paar houten bureau’s, waarachter agenten zaten te doezelen. Aan de wand hing een portret van de president van Indonesië.
Lisa stelde ons voor aan de oudste agent en deelde de reden van ons bezoek mee. Hij knikte, draaide een formulier in de schrijfmachine die voor hem stond en begon met twee vingers te typen. We moesten elk ons visum, twee pasfoto's en een kopie van ons paspoort aan hem overhandigen. Ook moesten we onze reisdoelen en de hotels die we geboekt hadden aan hem opgeven.
Terwijl hij bezig was het reisdocument in orde te maken, maakten we met behulp van Lisa die als tolk fungeerde, een praatje met de andere agenten. Ze wilden weten wat we op Biak kwamen doen. Toen we vertelden dat we hier in 1960 waren gelegerd, waren ze niet verbaasd. Het bleek dat er regelmatig oud-militairen langs kwamen op een nostalgische reis.
De Surat Jalan zag er indrukwekkend uit met onze foto’s en vooral veel stempels en handtekeningen. Hij kostte dan ook 50.000 rupiah. ( € 5)
Op de terugreis in de taxi vertelde Lisa dat het luxe hotel bijna leeg stond. Het was drie jaar daarvoor met veel festiviteiten geopend door president Sukarnoputri. De bedoeling was meer toeristen aan te trekken, maar dat was niet helemaal gelukt. Nu stond het hotel bijna ongebruikt, en het zou een kwestie van tijd zijn voor het werd gesloten. De weg terug naar het hotel liep tot onze verrassing langs het oude Nederlandse Marinekamp Sorido waar we hadden gediend. Van de vele goedangs (pakhuizen) die er stonden, was niet al teveel meer van over. Hier en daar stonden er een aantal met ingestorte daken. De wegen en paden waren verwaarloosd en met gras en onkruid overdekt. Alleen de toegangspoort was onderhouden en strak in de verf. Toen we om negen uur naar buiten liepen stond onze hoteltaxi al op ons te wachten. Ahmed, onze chauffeur vroeg waar we heen wilden.
-Bosnik, antwoordden wij. Dat kenden we nog, het is aan de oostkant van Biak en heeft een prachtig strand met veel koraal.
Tijdens de rit viel het ons op hoe landelijk en eenvoudig Biak nog steeds is. Keurige aangeharkte tuintjes voor de huizen, en brede wegen omzoomd met hoge bomen. Geen knetterende brommers, geen schreeuwerige kooplieden, en geen huisvuil. Het strand bij Bosnik was er een uit een reisgids. Een azuurblauwe zee, een blauwe hemel en een spierwit strand. Majestueuze kokospalmen bogen zich voorover naar zee, en gaven genoeg schaduw. Twee blauw geschilderde vlerkprauwen waren op het strand getrokken. We waren de enige bezoekers van dit lustoord. Na een uurtje slenteren langs het strand, en genieten van het uitzicht stapten we weer in de taxi en gingen verder langs de kustweg. Ik zat ademloos te kijken. Wat een maagdelijke schoonheid. Geen terrassen, geen souvenirwinkeltjes, geen zonnebrandolie, geen drommen toeristen in korte broek. Onbekend en ongerept. Terwijl we wat stonden te kijken werden we aangesproken door een wat oudere Papoea die aan kwam lopen. Hij sprak voortreffelijk Nederlands en was keurig gekleed in een blauwe broek en dito teeshirt.
-Ik heet Jacobus, stelde hij zich voor. Ik heb vroeger op de marinewerf gewerkt.
Ik vroeg hem waarheen hij op weg was.
-Biak kota, antwoordde hij. Naar de pasar.
Ik keek bedenkelijk naar zijn voeten. Hij droeg badslippers, en de markt was zeker 15 kilometer ver.
-Als je wilt kun je meerijden, stelde ik voor.
-Graag, knikte hij verheugd.
Ahmed schraapte zijn keel. Ik mag geen Papoea’s meenemen in mijn auto, zei hij met een afkeurende blik naar Julius.
-Nu wel, zei ik. Wij betalen jouw en de taxi.
Bij de pasar bij de haven stapten we uit. Ahmed bleef wachten in de taxi. We liepen met Jacobus de markt op. Hij stelde ons trots voor aan mensen die hij kende. Het was gezellig druk. Veel groenten en fruitstalletjes waar van alles te koop was. Langs een muur zaten vrouwen

achter een tafeltje met daarop betelnoten en een plastic emmertje met kalk. De bedoeling is de noten en het blad samen te kauwen, en daarna de kalk erbij te doen. De sirih is licht verslavend en neemt honger en moeheid weg. Zowel mannen als vrouwen gebruiken het. Hun tanden en mond zien rood van het sap, dat ze geregeld zijdelings wegspuwen. Onder een overkapping werd verse waar verkocht. Veel verse vis, zo uit zee. Snappers, barracuda, inktvis, tonijn. Alles op verse pisangbladeren, de kooplieden goten regelmatig zeewater over de vis om ze vers te houden in de hitte, en de vliegen te verjagen. Ook hompen vlees van onbekende herkomst, en tot mijn verrassing ook vlees van een zeeschildpad, herkenbaar aan de peddelachtige voorpoten die er naast lagen.
Terug in het hotel gingen we na het mandiën naar de eetzaal. Die was tot onze verassing flink gevuld met Indonesiërs in blauwe, groene en kaki uniformen met emblemen. Allen met Polaroid zonnebril met spiegelende glazen, en een of meerdere glinsterende balpennen in de borstzak. Ze maakten deel uit van het gevolg van de gouverneur van Nieuw-Guinea. Die was op verkiezingstocht. Het menu was daarom uitgebreid. Nu niet alleen nasi goreng met kip, maar ook nasi goreng met vis. We werden aangesproken door een jongeman in burger, die voortreffelijk Nederlands sprak. Hij was waterbouwkundig ingenieur en had in Delft gestudeerd. Hij stelde ons voor aan een grote zwarte Papoea in kakiuniform. Hij was het prototype van een echte Papoea. Zwart, kroeshaar en een brede haakneus.
-Hoe maakt u het?, vroeg hij vriendelijk in het Nederlands. Het bleek dat hij deel uitmaakte van het gevolg van de gouverneur. Onder het Nederlands bewind had hij zijn schoolopleiding genoten. Wij leerden Nederlands uit twee schoolboekjes, glunderde hij, terecht trots op het feit dat hij zo goed Nederlands sprak. Het eerste leerboekje heette; Het Begin, het vervolg heette; De Paradijsvogel.
-Eet met ons mee, nodigde hij ons uit. Wij eten sago, echt Papoea voedsel. Inderdaad stond in het midden van de tafel een diepe schaal met daarin sagopap. We hadden het vroeger al eens gegeten. Het lijkt niet alleen op behangerslijm, maar het smaakt precies hetzelfde.
-Nee, dank u wel, antwoordde Tom beleefd, onze magen zijn een beetje van streek door de lange reis en het ongewone voedsel.
De andere ochtend vertrokken we al vroeg voor een rit naar de westpunt van het eiland. Het landschap verschilde met wat we de vorige dag gezien hadden. Deze weg slingerde zich door een droog bos, afgewisseld door velden met lang gras of struiken. Na ongeveer een uur rijden kwamen we in de kampong Waneru. Een kleine nederzetting van misschien 40 huisjes.
We werden benaderd door een groepje bewoners. De vrouwen, meisjes eigenlijk nog, droegen hun baby’s in de arm, de wat grotere kinderen joelden en wilden op de foto. Een van de moeders stak me haar baby toe. Het kind keek me met haar donkerbruine ogen aandachtig aan. Opeens voelde ik haar ontspannen en lachte breed naar me. De volwassenen begonnen luid te lachen, en ik ook. Het was een mooi moment. Na het uitdelen van wat snoepwerk aan de kinderen, en wat geld aan de moeders, reden we door richting Korem, een kampong aan de kust.
Vlak voor de kampong sloegen we een zijweg in door een klapperbos, die naar een baai leidde. Dit was een veel ruiger strand als wat we de vorige dag hadden gezien. Een flinke branding, met golven die schuimend en brullend over de zandbanken voor de kust naar het strand rolden. Het lag vol met aangespoelde bomen die vaak half begraven met naakte stammen vanuit het witte zand omhoogstaken. Veel afgevallen en aangespoelde kokosnoten, waarvan enkelen al wortelschoten in het vochtige zand. Grote rode krabben scharrelden voorzichtig rond en schoten zijdelings lopend weg als je te dichtbij kwam. Een paar meter van het zandstrand, net buiten het bereik van de zee, begon het tropisch plantenrijk. Eerst kruipende groene planten met hartvormige bladeren en kleine gele bloemen, en veel grote varens. Daarachter schoot Ficusachtig struikgewas op met leerachtige bladeren. Weer daarachter groeiden de klapper en andere bomen die omhoogstaken in de blauwe lucht. De andere dag lieten we ons in de taxi naar de kota brengen. We wilden wat winkelen, en misschien een stukje eten. 
Toen we een poosje door de kota hadden gelopen, gingen we een pilsje drinken in een Chinese rumah makan.
Naast de ingang zat een morsige dikke Chinese vrouw die kennelijk de eigenares van de tent was. Met een sloom gebaar maakte ze een van de dienstertjes attent op het feit dat er nieuwe klanten binnengekomen waren. De tent rook naar ranzig vet en natte luiers.
We kozen een plaatsje onder een ventilator die snorrend de warmte en de stank probeerde te verdringen, en bestelden een gekoelde Bintang.
Later op de pasar ikan spraken we met Matheus, een Papoea van het eiland Waigeo. Waigeo behoort tot de Radja Ampat eilandengroep die bestaat uit vier eilanden, voor de kust bij Sorong. Het is een dunbevolkt eiland bedekt met een ondoordringbaar oerwoud. De koraalbanken rondom de eilanden zijn de mooiste ter wereld en herbergen meer dan 500 soorten vis. De bevolking van Waigeo is verwant aan die van Biak. Ze spreken eenzelfde taal. Matheus was getrouwd met een vrouw van Biak, en daarom woonde hij nu hier.
-Biak is veel groter als Waigeo, zei hij. Daar geen werk. Maar hier veel orang Indonesia, haalde hij zijn schouders op. Misschien, ik ga terug naar Waigeo.
Terug in het hotel pakten we onze koffers en gingen naar het eten meteen naar bed, want ons vliegtuig naar Hollandia vertrok al om 4.30 uur. Toen we bij het krieken van de dag boven het onafzienbare oerwoud van Nieuw-Guinea vlogen, werd me duidelijk dat ook hier aan (illegale) houtkap werd gedaan. Op veel plaatsen was het bos massaal weggehakt, wat te zien was aan grote plekken rode verschroeide aarde. Ook veel wegen die naar die kapplaatsen leidden. Hier en daar waren wegen aangelegd naar de kust waar het hout in schepen werd geladen. Dat veel Papoea’s zich daar zorgen over maken werd ons duidelijk toen we in Jayapura en Sorong met mensen praatten. Na een uurtje vliegen landden we op het vliegveld Sentani bij Hollandia. Het vliegveld is door de Japanners in de tweede wereldoorlog aangelegd, en later door de Amerikanen uitgebreid tot twee startbanen.
Het was een rustige vlucht geweest, het vliegtuig zat voor ¾ vol. Het bekende gedoe om de koffers te pakken te krijgen. Het aandringen van de vele kruiers om je bagage te mogen dragen, de hitte. Het werd al aardig bekend. Het vliegveld was wel veranderd, maar veel was nog herkenbaar. De verkeerstoren stond er nog. Het Cycloopgebergte, meestal in wolken gehuld, op de achtergrond. We wezen elkaar naar de plaats waar onze tenten hadden gestaan, tijdens de vele keren dat we de wacht bij het vliegveld hadden gehad. Voor ons was het een van de plaatsen waar we in die tijd graag heen gingen. We gingen erheen met 12 man onder leiding van een korporaal. We liepen de wacht rondom de toren en de startbaan en kookten ons potje van de noodrantsoenen uit blik die dik over de THT waren. Als we vrij waren gingen we zwemmen bij de “marinierspoel” een plekje waar een kali uit het oerwoud stroomde, en een poel had gevormd waar je heerlijk kon zwemmen. Van “de Strip” uit, werden we soms voor een week uitgezonden naar de munitieopslagplaats bij Renouwen. Er was altijd wel wat te doen. De Dakota’s van de Kroonduif en de Firefly’s van de MLD stegen en landden hier, evenals de Pipercubs van de missie en de zending. Bij het vallen van de avond vlogen duizenden kalongs (vliegende honden) over naar het oerwoud.
We werden benaderd door een jonge man die van het reisbureau bleek te zijn. Hij dirigeerde ons naar zijn auto die buiten stond. De weg van Sentani naar Hollandia is veertig kilometer lang en loopt gedeeltelijk langs het Sentanimeer en door het Cycloopgebergte. Meteen al viel me op, dat het er erg verpauperd uitzag in vergelijking met vroeger. Waar je vroeger een mooi uitzicht had op het meer, en kamponghuizen op palen, werd het uitzicht nu verpest door allerlei hutjes en bouwseltjes die zich in de bermen van de weg hadden genesteld. Ik zag een paar mensen die de olie van een auto aan het vervangen waren. De afgewerkte olie liep gewoon in de berm. Ook veel stalletjes met klappers en pisangs. Abepura, het vroegere Hollandia Binnen, een buitenwijk was veranderd in een typische Indonesische stad. Druk verkeer, knetterende brommers, bankgebouwen en veel mensen. Geen Papoea’s. 
Het Relat Indah hotel bleek zich ongeveer vijf kilometer zuidoostelijk van het centrum te bevinden. Het was een behoorlijk middenklasse hotel. De eetzaal was een grote lichte ruimte aan de zuidkant van het hotel. Aan een kant was een buffet, de rest was opgevuld met tafels en stoelen. Het zag er verzorgd uit.
Toen we ons gemandied hadden, wilden we lopend naar het centrum gaan. Onderweg vroegen we aan een man die aan zijn auto zat te prutsen, de weg.
-Stapt u maar in, zei hij vriendelijk, en deed het portier van de auto open.
We bedankten hem en stapten in. Het bleek dat we wel in de goede richting liepen, maar dat de afstand toch nog behoorlijk was. Als je Hollandia binnenkomt vanaf Abepura, is er een afdaling via een bochtige weg met haarspeldbochten die langs de haven naar het centrum leid. We werden afgezet bij het begin van de Oranjelaan die nu Jalang Achmed Jani heet.
Ik stond verstomd. Wat vroeger een brede rustige laan was met winkels en Chinese toko’s, was veranderd in een rommelige straat met druk verkeer. Knetterende brommers, uitlaatgassen, sjacheraars, stalletjes onder felgekleurde plastic zeilen, eettentjes en veel Indonesiërs. We baanden ons voorzichtig een weg over het trottoir omdat er hier en daar grote gaten inzaten van wel een meter diep. Aan het einde van de Oranjelaan bij de brug over de kali, stonden we verbluft stil. De kali die vroeger ons zwembad vulde en door de stad stroomt was een groot open riool geworden. Het bruine modderige water zocht zich een weg langs grote hopen afval, stront en straatvuil op weg naar de Humboldtbaai. Groepjes varkens scharrelden al knorrend rond op zoek naar wat eetbaars. De oevers van de kali waren bebouwd met armoedige huisjes met verroeste golfplaten daken. Er kwam een man uit een van de huisjes die zijn afval gewoon in de kali dumpte.
Voor de politiekazerne stond een plastic standbeeld van een politieagent. Hij was meer dan manshoog, en stond dreigend neer te kijken op de voorbijgangers. Wij gingen de poort binnen en kwamen op een binnenplaats waar een aantal jonge agenten zich in een soort open kantoortje zaten te vervelen. Ik vroeg waar ik mijn Surat Jalan kon laten afstempelen. Ze zwaaiden me door naar een kantoor waar ‘chef’ op stond.
Ik klopte, en deed de deur voorzichtig open. Aan een verveloos houten bureau zat een dikke agent die me door de glazen van zijn Polaroid zonnebril wantrouwend aankeek.
-Ik wil graag mijn Surat Jalan laten afstempelen, begon ik. We zijn vandaag aangekomen vanuit Biak.
Hij stak zijn hand uit zonder iets te zeggen. Ik gaf hem de reispas.
-Paspoort, beval hij, weer zijn hand uitstekend.
Zorgvuldig vergeleek hij onze paspoorten met de gegevens op de Surat Jalan.
-Waar logeert u?, wilde hij weten.
Nadat de gebruikelijke vragen (hoelang blijft u, wat is uw beroep, wat komt u hier doen, etc) hadden beantwoord, stempelde hij de Surat Jalan af, en gaf hem aan ons terug.
-Geen foto’s maken van militaire of politieobjecten maken, en niet aan politieke bijeenkomsten deelnemen of daarvan foto’s maken sprak hij.
De volgende morgen bestelden we een taxi om wat van de omgeving te gaan zien. Eerst naar Dok Lima (vijf) naar het paleis van de Gouverneur waar we zoveel wacht hadden gelopen. Het was een chique buurt waar de super Bobo’s woonden. Dat is nog steeds zo, te zien aan de goed onderhouden tuinen die rondom de villa’s liggen. Bij het paleis stapten we uit, en liepen in de richting van het wachtgebouwtje. Het was nauwelijks veranderd, alleen was aan de voorzijde een veranda aangebracht waar enkele leden van de militaire politie ons argwanend opnamen.
-Hallo, sprak ik, met de meest vriendelijke grijns die ik kon opbrengen. Hoe gaat het met u?
Ze knikten gereserveerd en afwachtend.
-Wij hebben hier vroeger als marinier gediend, zei ik. Lang geleden. Er is weinig veranderd zo te zien.
Ze knikten weer en wachtten af.
-Mag ik hier een paar foto’s maken?, vroeg ik. Om thuis te laten zien, waar we geweest zijn.
-Tidah!, sprak de oudste van het viertal. Geen foto’s, dat is verboden.
-Wij zijn veteranen, probeerde ik nog. Wij zijn militairen geweest, net als jullie nu zijn. We hebben hier wacht gelopen. Uit nostalgie willen we even rondkijken en foto’s maken.
-De oudste stond nu op, en trok een boos gezicht.
-Wegwezen, Geen foto’s!, schreeuwde hij.
Bihar, onze chauffeur begaf zich dadelijk haastig en geïmponeerd naar de taxi en stapte in.
-Kom, wenkte hij nerveus vanuit het open raam van de auto. We gaan weg!
Langzaam, en met tegenzin slenterden we naar de auto en stapten in. Bihar schakelde in, en reed haastig weg.
-Dat moeten jullie niet meer doen, zei hij angstig en boos tegelijk. Dat kost me mijn vergunning als het verkeerd loopt.
We reden verder de tjot op, richting Base G, het strand waar de Amerikaanse mariniers in 1943 een landing hadden uitgevoerd om de Jappen te verdrijven. Het was een enorme invasiemacht die bestond uit meer dan 50.000 man. De bedoeling van de Amerikanen was om van Hollandia een belangrijke aanvoerhaven te maken. Het vliegveld op Sentani werd veroverd op de Jappen, en uitgebreid tot drie startbanen waar zware bommenwerpers konden landen. In twee maanden tijd werd een wegennet van ruim 100 km aangelegd en een pijpleiding van 250 km lang om de vliegtuigen van brandstof te voorzien. Later in dat jaar telde de stad 140.000 inwoners. Boven op de tjot stopten we om wat foto’s te maken van het schitterende uitzicht. Rechts naast ons golfde het land groen en heuvelachtig naar beneden. Links hetzelfde beeld, erachter steeg het landschap tot een flinke tjot. Daarachter de blauwe Stille Oceaan met de witte branding en de palmen op het strand van Base G. Beneden bij het strand stopten we bij een wachthuisje waar we een kaartje moesten kopen om op het strand te mogen.
-Hallo heren, klonk het opgewekt in het Nederlands, en een grote lachende Papoea kwam op ons af, gekleed in een korte broek met teeshirt. Voor het huisje zaten nog wat mensen die toekeken.
-Mijn naam is Jan Heyn, en ik woon hier. Een kaartje kost 10.000 Rupiah. En doe er even 10.000 bij, want mijn sigaretten zijn op. We hebben niets te roken, mijn vrienden en ik. Hij wees met een breed gebaar naar de mensen bij het huisje.
Ondanks de brutaliteit moest ik lachen, hij bracht het zo vanzelfsprekend, en in perfect Nederlands, dat ik het op de een of andere manier wel hebben kon. Hij bedankte ons met een stevige handdruk en slofte terug naar zijn vrienden in de schaduw voor het wachthuisje.
Het strand was niet veranderd, en nog even mooi. Spierwit koraalzand met klapperbomen die zich erover heen bogen, en een azuurblauwe oceaan, die verderop overging in staalblauw. Een kalme branding rolde traag op en af het strand. Sommige gedeelten van het strand waren begroeid met groene vetplanten. Achter ons bloeiende struiken en een paar hutjes met een atapdak waar een paar Papoea’s zaten te knikkebollen. Het strand strekt zich over een paar kilometer langs de kust uit en is vermaard door zijn schoonheid. Een paar vissersprauwen die op het droge getrokken waren, lagen vlakbij. Verderop maakte de kust een bocht waardoor een baai ontstond. De blauwe bergen daarachter behoorden tot Papua New Guinea, het vroegere Australische deel.
In het hotel was een groep voetballers gearriveerd. Poenige jongens met baseballpetjes op, pronkend met gouden sieraden en de laatste mobieltjes. In hun gevolg een echte coach, zwetend en drukdoend, en de nodige groupies die om hen heen hingen. Ze speelden voor het team van Freeport, de grote Amerikaanse mijnindustrie die de grote kopermijn bij de Grasberg exploiteert. De werknemers van de mijn bestaan bijna helemaal uit buitenlanders inclusief Indonesiërs, en weinig tot geen Papoea’s. Het geld verdwijnt respectievelijk in de zakken van de Amerikanen en de Indonesiërs, de stam van de Amungmes grijpen ernaast en worden verjaagd van de grond waar ze sinds mensheugenis wonen.
Tijdens een expeditie onder leiding van Dr. Colijn in 1936 naar de hoogste toppen in het Carstenzgebergte werd door een jonge geoloog, Dr. Dozy, de “Ertsberg” bij de zuidingang van de Carstenszweide ontdekt. Hij beschreef “Grote groene vlekken van Malachiet (basisch kopercarbonaat die de aanwezigheid van koper verraden”. Aangezien dit op 3700 meter hoogte lag, op een afstand van 100 km van de kust verwijderd, was de exploitatie in die tijd (nog) niet lonend. Na de overdracht van Nieuw-Guinea door Nederland aan Indonesië, werd een concessie om het koper te winnen, aan de Amerikanen verleend. Misschien als beloning voor de krachtige steun die ze aan de Indonesiërs hadden verleend om de overdracht, die bepaald niet in het voordeel was van de Papoea’s, mogelijk te maken.
Onder de kop: “Below a Mountain of Wealth a River of Waste”, heeft The New York Times op 27 december 2005 een artikel geplaatst over de vergaande corruptie, en de vervuiling van het gebied door Freeport.
With a few taps on a keyboard, satellite images quickly reveal the deepening spiral that Freeport has bored out of its Grasberg mine as it pursues a virtually bottomless store of gold hidden inside. They also show a spreading soot-colored bruise of almost a billion tons of mine waste that the New Orleans-based company has dumped directly into a jungle river of what had been one of the world's last untouched landscapes.
Company records obtained by The Times show that from 1998 through 2004, Freeport gave military and police generals, colonels, majors and captains, and military units, nearly $20 million. Individual commanders received tens of thousands of dollars, in one case up to $150,000, according to the documents. They were provided by an individual close to Freeport and confirmed as authentic by current and former employees.
We gingen de volgende dag per taxi naar het Sentanimeer. Ditmaal een andere chauffeur. Theo, een Sumatraan. De rit naar het meer was dezelfde als op de heenweg, over het Cycloopgebergte. Langs de kant veel krotjes, schuurtjes, stalletjes met klappers en andere rotzooi. We reden door Abepura, het voormalige Hollandia-Binnen. Ook hier een aaneenschakeling van rommelige gebouwen, hutjes en bouwvallen. Het verkeer was zeer druk, we passeerden tientallen open vrachtwagens, geladen met honderden jonge Papoea’s met groene, blauwe of rode hoofddoeken om. Ze zagen er dreigend en krijgshaftig uit.
-Papoea Merdeka!, (vrij) schreeuwden ze met gebalde vuisten en bonkten op het dak en de zijkanten van de vrachtauto.
Theo parkeerde de taxi onopvallend voor een winkel en zette de motor af, zodat de geschreeuwde leuzen en het gebonk duidelijk te horen was. Hij voelde zich niet erg op zijn gemak.
-Waar gaan ze heen?, vroeg ik hem.
Hij vertelde dat ze zich naar Jayapura begaven om daar te demonstreren.
-Waartegen, vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op, en glimlachte verontschuldigend. Het was duidelijk genoeg, ze demonstreerden voor een vrij en soeverein West-Papua. Wij hadden de affiches gezien die overal langs de weg waren aangebracht op borden. Er waren twee kandidaten voor de positie van gouverneur van Nieuw-Guinea. De één was duidelijk een Indonesiër, de ander leek vanuit de verte wel wat op een Papoea. Die werd het dus niet, dat was duidelijk. Dat wisten de demonstranten ook, dus daarom protesteerden ze zo massaal. Het Sentanimeer lag er net zo mooi bij, als we ons herinnerden. Glashelder water, waarop een enkele prauw, en de mooie blauwe heuvels rondom. De oevers van het meer bestaan uit heuvels die voornamelijk begroeid zijn met alang-alang , een schouderhoog, taai soort gras met scherpe randen. Tijdens de vele patrouilles die we hier hadden gelopen, hadden we ruimschoots de gelegenheid gehad er kennis mee te maken.
Bij meneer Chris, een mooie uitspanning aan het meer, dronken we een jus d’orange. Het was er heerlijk koel. Theo wilde niet mee, was duidelijk verlegen met de situatie om als taxichauffeur met een paar Hollanders op een terras te zitten. Het overdekte terras op palen boven het meer, was druk bezet door een menigte Indonesiërs met badges op, die duidelijk behoorden tot een officiële politieke delegatie, in verband met de verkiezingen. Ze namen weinig notitie van ons, druk als ze het hadden met elkaar op de foto te nemen met het meer als achtergrond.
Bij het binnenrijden van Jayapura werd duidelijk waar al de demonstranten gebleven waren. Het regende pijpenstelen. Duizenden opgewonden, meest jonge, Papoea’s, en zwaaiend met vlaggen bevolkten een groot open terrein. Er werd geschreeuwd en leuzen geroepen. Veel politieagenten die in slagorde en nerveus de menigte gadesloegen. Er hing een grimmige sfeer die nog werd versterkt door het onweer dat verder weg in de bergen lichtte en dreunde.
-Dit houden ze nooit, bromde Tom. Hij duidde op de Indonesiërs. Vroeger of later breekt hier een geweldige opstand uit.
Ik was het met hem eens. Je kunt met geweld en tirannie een volk wel onderdrukken, maar niet voor altijd. Dat wijst de geschiedenis duidelijk uit. Vroeger of later komt een volk in opstand, en vecht het zich vrij.
Later hoorden we dat er die dag twee Indonesische agenten waren gedood door de opstandelingen. Over de repressie door de militaire macht die daarop ongetwijfeld zijn gevolgd, hoorden we niets. De volgende dag reden we met Bihar een stukje in de richting van Dok Lima, waar we een flinke wandeling maakten. Het weer was stralend, en er stond een flink briesje die een aangename verkoeling bracht. Of zouden we nu al wennen aan het tropische klimaat? Bij de haven teruggekomen, streken we neer bij een eethuisje op de steiger bij de haven. Aan de voorkant werd verse vis gegrild op een houtvuurtje. Tom koos een dikke moot tonijn, en ik een flink stuk van een vis waarvan ik de naam niet ken. We kregen witte rijst, sajoer, heerlijke sambal met tomaat en komkommer, en water bij de vis. De rekening bedroeg 40.000 rupiah, ongeveer 4 euro. Net voor de schemering liepen we het pad af naar de kampong die aan de Humboldtbaai ligt. Het voert langs een steengroeve met oker en roze gekleurd kalkgesteente, waarvan ik een stukje meenam als souvenir. Een paar vrouwen zaten op een steiger betelnoten te verkopen, en zwaaiden ons vriendelijk na. Bij een in aanbouwzijnd huis waren twee mannen bezig. De kampong ligt zeer fraai onder bomen die schaduw geven, en van het water waait een fris windje. In de boom voor het huis hingen vruchten, die bij navraag betelnoten bleken te zijn. Een groepje kinderen volgden ons lachend en stoeiend met elkaar, terug naar het hotel en bedelden om snoep. Jammer, dat dit gebedel dat vroeger onbekend was in Nieuw-Guinea, steeds meer voorkomt. Maar ja, voorbeeld (van de Indonesiërs) doet volgen.
De volgende morgen waren we om 9 uur al op het vliegveld voor de vlucht naar Sorong. Eenmaal ingecheckt, liep ik nog even terug naar de vertrekhal om een flesje water te kopen. De politieagent die bij de deur zat te dommelen op zijn stoel, zag me niet weggaan. Een paradijs voor terroristen, dacht ik toen ik terugliep naar de hal waar de passagiers verveeld op stoelen hing, wachtend op het vertrek. Om 12 uur gingen we de lucht in. We volgden de kustlijn. Een prachtig uitzicht op de oerwouden en de blauwe zee. Na de landing in Sorong stapte een dikke vrouw luidkeels huilend uit het vliegtuig. Ze werd opgewacht door een menigte in het zwart geklede Papoea’s die Mamma!, Mamma!, naar haar riepen. Ze huilden allemaal tranen met tuiten, het was niet gespeeld. Wat een emotie, hier moest wel iets vreselijks zijn gebeurd. Opeens dacht ik aan de gebeurtenissen in Jayapura. Zou dat er iets mee te maken hebben? Maar even later schudde ik die gedachte uit mijn hoofd, en liep de ontvangstruimte in. De groep in het zwart geklede mensen met de dikke vrouw traden ook binnen, nog steeds luidkeels huilend en weeklagend. De andere aanwezigen keken ernaar met een mengeling van ontzag en medelijden. Men liet ze voorgaan in het gedrang om de koffers en even later waren ze verdwenen. Hotel Mariat is erg groot met betegelde gangen, een paar winkeltjes met snuisterijen en een kapperswinkel. Nadat we de koffers op onze kamer hadden laten brengen, gingen we naar de bar waar het warm was, en schemerig. De airco deed het niet. We werden in het Nederlands aangesproken door een Papoea van ongeveer onze leeftijd. Hij stelde zich voor als George, en vertelde onderwijzer te zijn geweest op een school. Het werd een leuk gesprek over de dingen die veranderd waren sinds de Hollandse tijd. Hij was in het bezit van een auto, en stelde ons voor de volgende dag met hem een rondrit te maken. Dat leek ons wel wat, en we spraken af. Daarna eerst naar de politiekazerne om ons te melden, en de Surat Jalan af te laten stempelen. Een groot, goed onderhouden complex rondom een grote exercitieplaats. Daar zat een gewichtig man, die ons bars mededeelde dat we het origineel daar achter moesten laten, en de volgende dag weer konden komen afhalen. De andere morgen reden we met George door de stad. Hij gaf mistroostig toe dat er in Sorong niet veel te zien was. Dat klopte ook wel, veel auto’s en brommers en een hels kabaal. Slechte wegen met gaten. Veel vriendelijke mensen in stalletjes langs de weg die van alles (meest eten) verkochten. We reden naar de havenkant bij het ziekenhuis, waar we vroeger wel gezwommen hadden in zee. Het viel ons op dat het water veel hoger stond dan vroeger. De golven van de branding sloegen over de stenen wal die nog uit de Hollandse tijd stamde, en over de weg daarachter, ondanks dat er weinig wind was. Een vreselijke rommel, nog erger dan Hollandia. In een reisgids las Tom lachend voor, dat Sorong bestaat uit; “tien kilometer verroeste golfplaten daken”.
Nadat we een tijdje hadden rondgereden stopten we bij een Chinees restaurant om iets te drinken. Het was een grote kantineachtige ruimte verlicht door TL buizen. Het meubilair bestond uit formica tafels en dito stoelen. Aan een tafel zaten een drietal jonge vrouwen groenten schoon te maken. Ze lachten uitgelaten toen Tom ze op de video zette. Ik vroeg aan George, hoe het kwam dat zoveel kerken die ik had gezien, in vervallen staat verkeerde. Alleen een grote Katholieke kerk vlakbij het hotel bleek in uitstekende staat te zijn.
-Ja, antwoordde hij verlegen, we hebben te weinig geld om ze te onderhouden, en van de regering krijgen we geen geld. Ik ga elke zondag naar de kerk. Hij had negen kinderen, en zes kleinkinderen. Gezondheidszorg in Nieuw-Guinea was een groot probleem, vertelde hij. Vooral malaria eiste veel slachtoffers, vooral onder jonge kinderen. Er waren wel dokters, en ook een heus ziekenhuis, maar voor de gewone man onbetaalbaar en onbereikbaar. Na het eten, het was inmiddels donker geworden, liepen we nog even naar buiten. Naast het hotel was een soort supermarkt van twee verdiepingen. Beneden werden voornamelijk levensmiddelen verkocht, op de bovenste etage werd textiel en kleding verkocht. We slenterden wat rond, en liepen uiteindelijk weer naar buiten. Daar was het druk met flanerende en rondhangende mensen, voornamelijk jonge mannen. We waren dé attractie van dat moment. Iedereen probeerde onze aandacht te trekken, door zachtjes Mister!, Mister!, te zeggen, en onze hand te schudden.
Er stopte een man op een brommer naast ons. Een echte Papoea met de kenmerkende haakneus en pikzwart.
-Zijn jullie Nederlanders?, vroeg hij in onberispelijk Nederlands.
Hij stelde zich voor als Johannes, hij was onderwijzer in een ver afgelegen plaats in het binnenland. We spraken af voor de volgende dag, in het hotel. De andere morgen liepen we naar de politiekazerne om de Surat Jalan op te halen. Toen we het exercitieterrein op liepen, was daar juist een oefening aan de gang. Een vijftigtal jonge gehelmde agenten achter grote doorzichtige plastic schilden en met een houten knuppel in de hand werden getraind om een menigte te verspreiden. Telkens bewogen ze zich met een sprong voorwaarts waarbij ze een strijdkreet brulden.
Een officier die voor de troep schreeuwde commando’s. We liepen langs de troep naar het kantoor van de politieman die onze Surat Jalan in zijn bezit had. Hij bleek er niet te zijn. Een vriendelijke jonge agent die toevallig langs liep vertelde dat hij de Surat wel in het hotel wilden bezorgen. Wij gaven het adres op, en liepen de kazerne uit. Verder lopend langs de weg naar een bank, kwam ons een grote menigte Papoea’s tegemoet. Ze zwaaiden met vlaggen en spandoeken (Papua Merdeka) onder het uitroepen van leuzen. Veel hadden, net als in Hollandia, gekleurde hoofddoeken om. Ze werden omringd door zwaar bewapende politieagenten in jeeps en op motoren.
Wij gingen aan de kant. Enkele demonstranten vroegen of we Nederlanders waren. Toen we bevestigend antwoordden, vroegen ze ons mee te lopen met de demonstratie. Ik legde ze uit, dat dat politiek gezien niet kon, omdat ik anders het land uitgezet zou worden. Teleurgesteld sloten ze zich weer aan bij de demonstatie aan, en liepen verder. Een motoragent reed naar ons toe, en vroeg ons wat we daar deden, maar we deden net of we geen Maleis begrepen, en ook geen Engels spraken, waarop hij doorreed.
Daarna maakten we een lange wandeling in de richting van de haven. Een veertigtal legertrucks vol geladen met militairen, reed ons voorbij in de richting van de demonstranten. Ervoor en erachter, motoragenten met gillende sirenes. Groepjes Papoea’s stonden zwijgzaam en somber langs de weg te kijken naar het machtsvertoon. Verderop liepen we door een kampong, toen opeens een jonge vrouw op ons toesnelde.
-Zijn jullie Nederlanders?, vroeg ze. Dan haal ik mijn vader, die spreekt goed Nederlands.
Even later kwam een man van een jaar of zestig lachend op ons af, en schudde ons de hand.
-Ik ben Fred, vertelde hij in goed Nederlands. Ik heb in de marinierskazerne gewerkt.
Een oud vrouwtje die naast me was gaan staan, streelde mijn arm en fluisterde verrukt tegen de mensen die bij haar stonden dat we Nederlanders waren.
-We hebben het slecht onder de Indonesiërs, zei Fred, en wees op zijn gescheurde teeshirt. We lijden armoede, en worden onderdrukt.
Ik dacht aan de legertrucks en de oefeningen in de politiekazerne en knikte.
-Waarom zijn jullie weggegaan?, vroeg Fred. Bij jullie hadden wij het goed.
Hij werd emotioneel, een traan droop uit zijn ooghoek en liet een glinsterend spoor na op zijn wang. Ik probeerde uit te leggen, dat het onder druk van de VN was geweest dat we Nieuw-Guinea moesten overdragen aan Indonesië, wij waren liever gebleven.
-Nederland is maar een klein land, en kan niet op tegen Amerika, ging ik verder.
Fred keek me verbijsterd aan.
-Nederland een klein land?, herhaalde hij ongelovig. Nee, dat is niet zo. Nederland is rijk en machtig. Als jullie zouden willen, jagen jullie de Indonesiërs zo weg. Ik begreep, dat in de ogen van deze mensen Nederland nog steeds een wereldmacht was. Dat beeld zou nooit veranderen. Overal in Nieuw-Guinea zijn Indonesische emigranten druk bezig met hun zaken, winkeltjes, akkers en werkplaatsen. Grote Amerikaanse en Japanse ondernemingen roven het land en de zee eromheen leeg. Papoea’s kijken toe. Vóór 1940 had Nieuw-Guinea geen enkel belang voor Nederland dat al zijn aandacht gefocust had op de kroonkolonie Indonesië. Pas na het uitbreken van de tweede wereldoorlog en de onafhankelijkheid van Indonesië, was er aandacht gekomen voor de Papoea’s. Alleen veel te laat. Je kunt een volk, al is het nog zó intelligent, niet in 50 jaar vanuit het Stenen Tijdperk in de westerse beschaving plaatsen. En nu, in de economische realiteit van vandaag, worden ze vermalen door de tijd.
Charles Darwin schreef al in 1836:
Overal waar de blanke een nieuwe kolonie heeft gesticht, zijn de plaatselijke zwarte inboorlingen weggejaagd of uitgestorven. En in Oost-Indië heeft de Maleisiër de zwarte bewoners van de archipel voor zich uit gedreven.
Na een tijdje lopen, waren we de weg kwijt. Verderop ontmoetten we een tweetal Papoea’s.
-Weten jullie de weg naar hotel Mariat?, vroeg ik aan de langste van het tweetal.
Het was een man van ongeveer 30 jaar, gekleed in een blauw overhemd en een kakibroek en zag er netjes uit.
-Die kant uit, zei hij. Door de kampong, dat is de kortste weg.
-We lopen wel mee, stelde hij voor. Zijn jullie Nederlanders?
We liepen in ganzenpas de kampong in. De langste voorop, de rest daarachter. Het paadje was te smal om naast elkaar te lopen en slingerde zich langs de eenvoudige huisjes van de bewoners. Langs de kant zat een vrouw met een kind in de slendang. Ze verkocht betelnoten.
Na een half uurtje, beklommen we een lage heuvel en keken uit op de grote weg die door Sorong naar het vliegveld loopt.
-Daar ligt het Mariat hotel zei de langste, en wees naar beneden.
Dan wil ik jullie bedanken, zei ik. Jullie hoeven niet verder mee te lopen, we vinden het nu zelf wel. Ik grabbelde in mijn rugzak naar geld, en hield hen elk 20.000 Rupiah voor.
-Nee, dank u, zei de kleinste beleefd. We nemen geen geld aan van Nederlanders.
Hoe ik ook aandrong, ze wilden het niet aannemen.
-Een paar sigaren dan, drong ik nog aan. Die lusten jullie wel. Ik wist hoe verzot Papoea’s zijn op tabak. Maar ook dat was verspilde moeite. Ze wilden niets aannemen. Ook stonden ze erop ons te vergezellen tot aan het hotel. Bij het hotel nodigde ik ze uit voor een drankje.
-Nee, dank u, zei de langste.
-Waarom niet, vroeg ik. Jullie kunt toch mee naar binnen gaan?
-Tidah boleh, (het mag niet) antwoordde hij verlegen.
Ik drong niet verder aan, het was duidelijk. Hier binnen waren ze niet welkom, en ze wisten het.
Ineens stond Johannes voor onze neus. We waren de afspraak al bijna vergeten, hij zou de vorige dag langs komen, maar was het vergeten. We namen hem mee naar de lobby van het hotel, waar het Indonesische personeel scherp naar hem keek, maar hem toch de toegang niet weigerde. Hij vertelde onderwijzer te zijn op een schooltje diep in het binnenland waar hij ook een weeshuisje bestiert. Er is een groot gebrek aan leermiddelen, speciaal leerboeken. Zelf had hij Nederlandse les gehad uit de leerboekjes waar de man uit Sorong het al over had: “Het Begin” en “De Paradijsvogel”. We stonden verbaasd dat hij nog zo goed Nederlands sprak, aangezien de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië inmiddels ruim veertig jaar geleden plaatsvond.
-Ik spreek elke week in mezelf de hele dag Nederlands. Zo houd ik het bij, vertelde hij trots. Ik wil mijn leerlingen Nederlands leren. Daarom wil ik vragen of u mij Nederlandse leerboeken wilt toesturen.
-Maar je leerlingen kunnen toch beter Bahasa leren, wierp ik tegen. Aan Nederlands hebben ze niet veel. Niemand spreekt het meer.
-Daar vergist u zich in, zei hij ernstig. Er is veel belangstelling om Nederlands te leren. Vanuit het Nederlands leer je veel makkelijker Engels en Duits. En het is goed voor je ontwikkeling.
We beloofden hem om uit te kijken naar deze leerboekjes, maar vertelden er meteen bij, dat ze waarschijnlijk niet meer te koop waren..
-We worden onderdrukt door de Indonesiërs, die ons land leegroven, begon hij verder. Voor ons, en straks voor onze kinderen is er niets meer. Ze kappen het hout, en halen de bodemschatten weg. Hebben jullie die politiemacht gezien, om ons te onderdrukken?
Zo ging hij door, en wond zich steeds meer op. Zijn toon werd zo luid dat er mensen naar ons begonnen te kijken en ik hem tot kalmte moest manen. Later buiten vertelde ik hem dat hij moest uitkijken.
-Mensen luisteren mee en vertellen dat tegen de politie. Je moet voorzichtiger zijn, zei ik hem. Denk om je vrouw en kinderen.
De andere dag stapten we om 12 uur in de taxi die ons naar het vliegveld zou brengen voor de vlucht naar Makassar. Vandaar zouden we doorvliegen naar Menado. Het vliegtuig zou om 13.00 uur vertrekken, maar inmiddels waren we al zo gewend geraakt aan het Indonesische tempo, dat we ons niet haastten. Na het inchecken en het afgeven van de koffers streken we neer in de overvolle vertrekhal en zochten een plaatsje. Er was geen airco, enkel twee ventilatoren aan het plafond die een geweldige herrie maakten en de warmte verder verdeelden. De vlucht was prachtig. Eerst vlogen we over een azuurblauwe zee met hier en daar een eilandje en een paar atollen die je kon herkennen aan een ring van koraal rondom de eilandjes waar de branding op stuk liep. Paradijsjes, zeiden we tegen elkaar. Daar te wonen in een hutje, en niets doen dan wat vissen, en pisangs en klappers eten. Geen inkomstenbelasting, geen Hennie Huisman en geen zorgtoeslag. Ach ja, zo mijmert een mens wel eens wat…
Ondanks dat er een uur tijdsverschil is tussen Nieuw-Guinea en Sulawesi, hadden we de aansluiting naar Menado gemist, dus het eerste wat we deden was de ticket van Garuda voor de volgende dag laten overzetten. Natuurlijk werden we weer “besprongen” door kruiers en duistere figuren die ons van alles wilden laten zien, en overal voor konden zorgen. Bij de balie van Garuda trof ik twee jongelui die goed Engels spraken en die een goed hotel wisten niet ver van het vliegtuig.
-Hoe oud bent u?, wilde de een weten.
-Zesenzestig jaar, antwoordde ik.
Hij schudde verbaasd zijn hoofd.
-Belanda’s worden vast heel oud, zei hij terwijl hij me verbaasd aankeek.
Het hotel was prima voor een nacht. De badkamer was niks, een kuip met bruin water om je te mandiën en een soort schijtbak met bruine aanslag. Maar de kamer zelf had airco, en het hotel zag er netjes uit. Er was geen bier te krijgen dus aten we Fanta bij het eten. Gebakken vis, rijst en sajoer. Het is duidelijk warmer in Makassar dan bijvoorbeeld in Menado of Sorong. Een dikke stroperige hitte, die je in een oogwenk kletsnat van het zweet maakt. Om kwart over vier in de nacht werden we gewekt door een enorm gegil en gekerm van de moskee die tegenover het hotel staat. Gierende uithalen gevolgd door een soort gebrom dat weer overging in hysterisch gehuil. Soms was er een kleine pauze waarin we dachten dat het voorbij zou zijn, maar elke keer begon het gekerm overnieuw. We deden het licht aan, en gingen op de rand van de bed zitten. Slapen was onmogelijk, we sliepen aan de kant die tegenover de moskee ligt en kregen de volle laag. Pas na een uur stopte het gegil en konden we weer gaan slapen.
Om zes uur werd er geklopt.
-Wat nu weer?, zei Tom, en deed de deur open.
Het bleek het ontbijt te zijn dat werd gebracht door een schuchter glimlachend dienstmeisje.
De taxi arriveerde precies op tijd, en om 11 uur stegen we op voor de vlucht naar Menado. Het was weer een mooie vlucht met schitterend weer en een prachtig uitzicht over zee. Wat is dit eilandenrijk toch uitgestrekt. Toen we in Menado waren geland, en de kruiers van ons hadden afgeweerd, belde ik het hotel om te vragen of ze een taxi konden sturen. Ze hadden al op ons gerekend, maar dachten dat we met een latere vlucht zouden komen.
-Neem maar een taxi, maar niet duurder dan 60.000 rupiah, antwoordde de receptioniste.
Hetgeen prima lukte. Een oudere flegmatieke chauffeur bracht ons naar hotel Minahassa waar we neervielen in de lounge, en eerst een Bintang bestelden. Dat hadden we wel verdiend. Het was net een beetje thuiskomen. We hadden hier onze reis begonnen, en waren nu weer terug. We logeerden zelfs onze oude kamer. Het is hier schoon en netjes, de badkamer is armoedig met loszittende kranen en dito tegeltjes. Maar de kamer heeft airco, en is mooi. Goede bedden en een balkon met rotan stoelen en een prachtig uitzicht over de stad en de zee.
De volgende morgen een flinke wandeling gemaakt door het stadscentrum van Menado. Eerst even naar de bank om toch nog even wat rupiah’s te pinnen. Het is even uitkienen hoeveel we er nemen want Indonesisch geld overhouden is niet slim, het is in Nederland bijna niets waard. Daarna liepen we een straatje in dat in de richting van de kust liep. Daar stond een enorme shopping mall volgens Amerikaans voorbeeld. Langs de kust werd druk gebouwd aan iets dat een brede boulevard moest gaan worden, zoveel was wel duidelijk. Shovels en graafmachines reden af en aan. Vlak aan het strand was het rustiger. De branding spoelde sissend op het strand zoals het dat al sinds onheugelijke tijden had gedaan. Toch gek te bedenken dat Hollandse kooplieden van de VOC hier al in 1679 een verdrag hadden gesloten met de Minahassers voor het leveren van specerijen. De animistische Minahassers bekeerden zich tot het Christendom en werkten nauw samen met de Hollanders. Bij het ontstaan van de Indonesische republiek wilde de Minahassers zich aansluiten bij Nederland. Zij noemden zich “de Twaalfde Provincie” van Nederland.
In 1958 brak er een opstand tegen de Indonesische regering uit. Die sloeg met harde hand terug en bombardeerde de stad. Dit is de reden dat het stadscentrum zo modern oogt.
Voor de kust van Menado ligt Pulau Bunaken Marine Park. Het is een duikparadijs met grote ongerepte koraalriffen die zich om de vijf eilanden en voor de kust uitstrekken. Het is uitverkoren het snelst groeiende toeristencentrum van Indonesië te worden. Bij een oud vrouwtje die sigaretten verkocht, kocht ik acht pakjes Kretek sigaretten voor mijn dienstkameraden thuis. De tabak is vermengd met kruidnagelen waardoor er de typische prikkelende geur ontstaat, die je in Indonesië bijna overal ruikt. Ze wist van de zenuwen het totaalbedrag niet uit te rekenen. Zoveel sigaretten had ze in één keer nog nooit verkocht. Maar met de hulp van een paar omstanders lukte het uiteindelijk. Terwijl we verder liepen werden we aangesproken door een man van middelbare leeftijd die ons in het Hollands aansprak.
-Ik heet Johan, stelde hij zich voor. Ik ben een echte Minahasser.
Hij nodigde ons uit in zijn kantoor wat te drinken, en een praatje te maken.
-Als de mensen hier horen dat jullie Hollanders zijn, kun je geen kwaad meer doen, zei hij. Wij zijn wapenbroeders. We hebben de zelfde culturele achtergrond. We hebben schouder aan schouder gevochten tegen de Indonesiërs die ons wilden onderdrukken.
-Ik heb hier al een behoorlijk aantal moskeeën gezien. Zijn jullie niet bang dat hier hetzelfde gebeurt als op Ambon? Daar hebben gewapende moslims uit Java de burgeronlusten veroorzaakt ten koste van een heleboel geweld, vroeg ik hem
-Er is veel onrust onder de Minahassers, zei hij. Wij zijn bijna allemaal Christen. De moslims zullen hier geen kans krijgen. Dan ontstaat er een opstand net als in 1958, maar nu kan de regering op Java ons niet meer met een overwicht van wapens neerslaan. Ze hebben hun lesje wel geleerd op Oost-Timor. Daar moesten ze zich terugtrekken onder druk van de VN.
Indonesië is nog niet rijp voor een democratie naar Europees model, hield hij ons voor. Dat zou hier averechts werken. Het volk is er nog niet aan toe. Een geleide democratie is voor de komende tijd het beste, met een geleidelijke overgang naar een vrije democratie. De huidige president is geen slechte. Ik hoop maar dat hij de touwtjes goed in handen houd.
Bij het afscheid stond hij ons op de stoep van zijn kantoor uit te zwaaien en riep met luide stem zodat voetgangers verbaasd omkeken:
-Leve de koningin!
De volgende dag bracht Robbie ons naar het vliegveld voor de reis naar Singapore. Hij beaamde dat er veel politieke onrust is in de Minahassa, maar wilde er niet verder over praten. Toen ik doorvroeg, zette hij de autoradio aan.
Het vliegtuig vertrok precies op tijd, en na een voorspoedige vlucht van ruim drie uur landden we op Singapore airport. Over de terugreis valt weinig bijzonders te vertellen. We stegen in het donker op, en het bleef donker tot we op Schiphol landden. Het vliegtuig was verduisterd, en de meeste passagiers deden een poging om te slapen. Mij lukte het niet. Ik zat nog te veel vast met alle indrukken die ik in de afgelopen weken had opgedaan.
Had de reis aan mijn verwachtingen voldaan, en was het de moeite waard geweest?
Wat me het meest had geraakt, was de zichtbare onderdrukking door de Indonesiërs van de Papoea’s. Geen genocide met bruut geweld, maar op een wijze zoals bijvoorbeeld met de Indianen in Noord Amerika en de Aboriginals in Australië is gebeurt. Een sluipende en onafwendbare aftakeling van een volk. Je cultuur en je eigenwaarde verliezen. Geen kans op scholing of op een baan. Een tweederangsburger zijn in je eigen land dat voor je ogen wordt leeggeroofd. Wanhoop.
Ik wist van te voren dat het geen gewone vakantiereis zou worden. Nieuw-Guinea is geen vakantieland. Het is een uithoek in de Indonesische archipel, ver van de bewoonde (Westerse) wereld. Niet veel van wat daar gebeurt verschijnt in de Westerse media. Niet interessant genoeg. Bovendien wordt het land door de Indonesiërs afgeschermd voor de vrije pers.
Is er dan niets positief te melden? Gelukkig wel, ik heb geconstateerd dat Papoea’s zich steeds meer bewust worden van het feit dat ze in eigen land geen factor van betekenis zijn. Het proces van politieke zelfbewustwording is in gang gezet, getuige de demonstraties in Jayapura en Sorong.
Binnen de Indonesische regering is een stroming ontstaan die inziet dat er een vorm van zelfbestuur voor de Papoea’s moet komen om een gewapend conflict in de toekomst te vermijden.
Te hopen is dat het prachtige volk van West-Papua op een mooie dag in de nabije toekomst de onafhankelijkheid zal krijgen die ze verdient.
Rest mij nog mijn trouwe vriend Tom te bedanken voor zijn relativeringsvermogen en zijn onverwoestbare Brabantse humor in die gevallen waarin niet alles echt meezat. (Evert, hebben we het goed?) De namen van de personen die we hebben gesproken zijn om duidelijke redenen gefingeerd.
Op 18 augustus 2008 is Tom plotseling overleden. Op 4 november van dat jaar zouden we elkaar 50 jaar kennen. Met de vrouwen erbij zouden we dit feestje vieren in een hotel. Het is er niet van gekomen. Ondanks het verdriet ben ik blij en dankbaar dat ik zo'n vriend heb gekend. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk en aan zijn vrouw en kinderen die hem zo node missen.
Naar boven
Copyright © E.Schurink.
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Nieuwspagina
 
Aanstaande zaterdag 28 januari 2012: Papua Solidariteitsdag 2012 in Amersfoort: thema: Mensenrechten als uitdaging aan staat en kerken in Papua. Deze dag wordt georganiseerd door de werkgroep Papua Solidariteitsdagen, met ondersteuning van Kerk in Actie, Stichting Duurzame Samenleving Papua-Barat (SDSP), HAPIN, Papua vrouwen Nederland en West Papua Netzwerk, Duitsland.Als je snel bent kun je je nog net even aanmelden.
|
13-14 april 2012 - 'WALK 4 MALUKU', 2nd edition. Wandeltochten van 80, 60, 40 en 10 km. Doel: Het genereren van financiële middelen d.m.v. sponsoring, collectes en andere particuliere initiatieven ten behoeve van de Molukse gewetensgevangenen in Indonesische gevangenissen, vertegenwoordigt door Perintis Aksi Kilat (PAK). Verder wordt de opbrengst van de T-shirt verkoop ter beschikking gesteld aan het West Papua Campaign (NL). Voor nadere informatie over het programma en de activiteiten ga naar tanahku.west-papua.nl
|
“Onze handelsnatie is ongelooflijk gebaat bij een slagvaardige krijgsmacht. Niet alleen bij de uitvoering van militaire, maar ook van vredestaken.” Dat zei de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb vandaag (7/2) op het stadhuis bij de opening van de tentoonstelling 'Daarom Rotterdam en de mariniers'.
|
| |
|
|
| |
|
|
|